Boliviaanse avonturen van de Blauwe SRV-wagen

8 november

Na ons vertrek uit Iquique gassen we door naar Arica, de allernoordelijkste stad van Chili. Omdat we in Iquique al proviand hebben ingeslagen voor de komende dagen in het park – we weten nog niet hoe lang we er zullen blijven – hoeven we in Arica alleen nog maar te tanken. We gooien de tank van de auto de volgende dag vol (écht propvol) en laten daarna nog drie jerrycans vullen, tezamen nog een litertje of vijftig extra. Dit lijkt veel en dat is het in wezen ook, maar na Arica tot aan de grens met Bolivia (en misschien zelfs tot aan La Paz) zullen we geen bezinepomp meer tegenkomen. Een afstand van minstens 550 kilometer, waarbij ons brandstofverbruik ook nog eens hoger zal liggen dan normaal, vanwege het rijden op hoogte.

vizcacha

Vanuit Arica is het ongeveer 140 kilometer door het hooggebergte naar Putre. Charlotte rijdt vandaag weer eens een keertje voor de verandering. Haar eerste rit ooit in de bergen. Onderweg stikt het van de enorme trucks. Voornamelijk Boliviaanse vrachtwagens die met hout, auto’s of grote zeecontainers dwars door de bergen vanuit Chili naar Bolivia rijden. Bolivia grenst niet aan zee – niet meer moeten we eigenlijk zeggen, want tijdens de War of the Pacific heeft Chili een groot deel van Bolivia en trouwens ook Peru ingepikt. Bolivia moet al haar import dus over land aanvoeren en tussen de landen schijnt om die reden nog steeds aardig wat wrijving te bestaan. Benieuwd of we daar nog iets van gaan merken met ons Chileense kenteken.. Grappig detail: veel van de chauffeurs lijken een blond grietje naast zich te hebben zitten, maar als je goed kijkt zie je dat het een stoelhoes is met de afbeelding van een blond mokkel erop. Die van Dick is echt :)!

Parc Lauca

Putre is voor ons niet meer dan een tussenstation op onze eigenlijke bestemming: Parque Nacional Lauca. Bij gebrek aan campings overnachten we op een wildkampeerplek aan de rand van het dorpje. De overnachting op 3900 meter hoogte stelt ons in staat om een beetje te acclimatiseren, wat wel nodig is na weer een week op zeeniveau. Na een super koude nacht kachelen we aan het einde van de volgende ochtend op ons gemak naar Lauca. Het is nog maar 54 kilometer en een schitterend tochtje langs de Parinacota vulkaan. Als we arriveren op de ‘camping’ (faciliteiten bestaande uit een picknicktafel en een wc, door te spoelen met een emmer bergwater) gaan we snel op pad en maken we een mooi wandelingetje langs het Chungará meer waar we ook een paar flamingo’s zien.

uitzicht vanaf de camping

van het avondzonnetje krijg je padoogjes!

’s Avonds, het laatste uur voor zonsondergang, is het uitzicht op de vulkaan op z’n mooist. We kunnen er met z’n drieën van genieten, want aan het eind van de middag is Loic gearriveerd, een vakantiefietser uit Brussel! Wat een held dat hij zich hier in z’n eentje met zijn zwaarbeladen fiets (55 kilo inclusief fiets) waagt. We nodigen hem uit om met ons mee te eten en drinken. In eerste instantie voelt hij zich bezwaard, maar als we hem ervan overtuigen dat we een soort supermarkt op wielen zijn – ook wel een SRV-wagen genoemd – is hij om. Het is erg leuk om zoveel fietsers tegen te komen. Loic is al de negende ofzo. Nooit gedacht dat er zoveel gefietst werd in Zuid-Amerika. We krijgen er tegelijkertijd ook een beetje een gevoel van heimwee van. Vooral Charlotte heeft hier last van. De jaloezie gaat dan niet bepaald uit naar het rijden op hoogte en de constante tegenwind waar je ze allemaal over hoort klagen, maar wel naar het enorm vrije gevoel dat je hebt op de fiets, meer nog dan met je eigen auto. Een volgende reis dan maar weer 🙂

Loic vervolgt zijn weg

Parinacota vulkaan - Lauca

'puur' is het juiste woord

 

11 november

Het is nog maar 25 kilometer naar de grens met Bolivia. Een gigantische file van vrachtwagens staat in een lange slinger te wachten voor de grenspost. In eerste instantie sluiten we netjes aan, maar gelukkig worden we door een chauffeur al snel gemaand door te rijden. Poeh, dat scheelt wel een paar uur wachten. Mede dankzij ons belabberde Spaans, hoofdzakelijk als gevolg van de bureaucratische romslomp die een grensovergang blijkbaar met zich meebrengt zijn we zeker anderhalf uur zoet met alle douaneformaliteiten. Was het op de fiets in Azië alleen een stempeltje in je paspoort en een ‘visa on arrival’, hier moeten we onze auto het ene land uitvoeren en het volgende weer invoeren. We moeten dus documenten invullen en deze vervolgens bij verschillende hokjes van de juiste krabbels en stempels laten voorzien. Na acht verschillende mannetjes en nadat de binnenkant van onze Blauwe aan een zeer lichte (en daarmee in de ogen van Charlotte compleet nutteloze) check is onderworpen gaat de slagboom omhoog en zijn we in Bolivia!

Aan de andere kant van de slagboom is het landschap om ons heen nog weinig anders dan in Chili, maar wat wel opvalt is dat we op de altiplano’s die in Chili maar zeer dunbevolkt zijn hier om de haverklap huisjes zien. Nouja, huisjes… Het zijn meer hutjes, gemaakt van grote blokken van – wat er uitziet als – uitgeharde modder. Direct zien we ‘Cholitas’, vrouwen van de hooglanden met hun lange vlechten die aan de onderkant bij elkaar worden gehouden door zwarte kwastjes, hun wijde gekleurde rokken en de typische bolhoedjes (voor wie het zich afvraagt: ja, die staan gewoon los op hun hoofd!). Vrouwen die onder een parasolletje hun haakwerkje zitten te doen terwijl ze de schapen hoeden, de gladiolen die ze hebben geplukt op een grote stapel naast zich; kindjes met vieze gezichtjes en indringende ogen die zich verschuilen onder moeders rokken of juist brutaal om geld komen vragen; mannen die met een door de zon gelooide huid op een piepknarsfietsje voorbij wiebelen en een jong ezeltje in de wei, zo groot als hobbelpaard. Ja, we zijn echt in een andere wereld aanbeland!

Naar La Paz is het nu nog ongeveer 250 kilometer. Van Marc en Sarah, twee Britse overlanders, hebben we de tip gekregen om te kamperen op camping Oberland, een door een Zwitser gerund hotel met daarbij ook faciliteiten voor overlanders. De ‘camping’ – een soort binnenplaats – ligt in Malassa, een plaatsje net buiten de stad. Ondanks hun aanwijzingen rijden we net iets te ver door en gebeurt precies datgene waarvoor Marc had gewaarschuwd: “Whatever you do, don’t drive into La Paz cause you’ll never get out of it with your car”. Marc had ons verteld over een stel overlanders die per ongeluk in de stad terecht waren gekomen en niet anders dan achterwaarts een straat uit konden. Niet zo erg zou je denken, maar La Paz is tegen knettersteile bergen aangebouwd en de auto van die man trok het gewoon niet. Gelukkig komen we niet in downtown La Paz vast te zitten. Wel moeten we een kilometer of vijftien een lange afdaling nemen richting de stad voor we kunnen keren en daarna natuurlijk ook weer dezelfde vijftien kilometer terug. Een straf is het niet omdat de stad prachtig tegen de bergen kleurt in het avondlicht. We hebben nog nooit zoiets gezien! Op de weg terug zien we ineens het punt waar we van de doorgaande weg af moeten en rijden we de Valle de la Luna in richting Malassa.

Valle de la Luna - La Paz

De tijd begint uiteindelijk wel te dringen, want in het donker rijden is niet aan te bevelen. Omdat de Bolivianen zich nauwelijks aan de verkeersegels houden is hier en daar zwaar geschut ingezet in de vorm van verkeersdrempels, vooral wanneer je een dorpje nadert. Deze drempels worden lang niet altijd voorafgegaan door een duidelijk bordje en hebben precies dezelfde kleur als de weg zelf. Als je ze niet tijdig in de gaten hebt zijn het dus meer een soort van lanceerplatforms in plaats van snelheidsdrempels.

De laatste kilometers van onze zoektocht krijgen we hulp van een aardig Boliviaans stelletje dat ons een paar keer ziet passeren en keren en daardoor terecht de conclusie trekt dat we de weg een beetje kwijt zijn. Zij rijden ons voor naar Oberland, waar we nog net voor het pikkedonker kunnen parkeren.

12 november

Plaza de San Fransisco - La Paz

centrum La Paz

Helaas blijken niet alle overlanders leuke lui. Op de camping staan twee grote campers, beide bevolkt door een Frans gezin. Al groetend passeren we ze een paar keer, maar er volgt geen groetje terug, zelfs geen bonjour. De camper die het dichtst bij bij ons staat heeft drie kids. Kun je het je voorstellen: met z’n vijven anderhalf jaar (zo horen we later) op pad in een camper? De kinders krijgen onderwijs van moeders, wat niet altijd even soepeltjes verloopt getuige het geschreeuw dat regelmatig door de ramen heen te horen is. De jongste telg van de familie zet het om de tien minuten op een janken. Voornamelijk als aandachttrekkerij merken we, want als hij zijn zin heeft gekregen zijn de krokodillentranen meteen weer weg.

La Paz, wat een stad

Zodra we kunnen pakken we de bus de stad in en de rest van de middag slenteren we rond door La Paz (‘de Vrede’), wat een heel aardige stad is. Formeel is Sucre de hoofdstad van het land, maar La Paz heeft er meer de uitstraling van en staat internationaal ook als zodanig bekend. We kopen er een Lonely Planet (zo eentje met heel Zuid-Amerika ‘on a shoestring’ aangezien de tweedehands reisgidsen hier knetterduur zijn) en trakteren onszelf ’s avonds op een etentje bij een Indiaas restaurant.

camping Sorata

14 november

Na een dagje camping met skypen en handwasjes vertrekken we naar Sorata, een stadje in de groene bergen ongeveer drie uur boven La Paz. Van Amerikaanse overlanders hebben we gehoord dat daar een uitstekende (en spotgoedkope) monteur zit bij wie de auto een kleine beurt willen laten geven en daarnaast kun je er onder andere een mooie fiets- en boottocht maken. We hebben er een schitterende eco-camping met geitjes, een kalfje, kippen, ganzen, witte konijntjes die vrij rondhuppelen en honden en katten.

Jammergenoeg blijkt de monteur in de jungle te zitten om daar terplekke auto’s te repareren. Wellicht komt hij de volgende dag terug, maar waarschijnlijker is dat hij daar nog wel even is. De fiets- en boottocht hadden we ook niet zo goed doordacht, omdat de tour na 5 dagen eindigt in Rurrenabacque, vanwaar we een bus of vliegtuig terug kunnen nemen naar La Paz en daarna nog onze auto zullen moeten ophalen in Sorata. Nope, dan moet een activiteit nog maar even wachten. We verkennen de omgeving, bezoeken het stadje – dat op zichzelf echt niet de moeite waard is – en zitten ’s avonds rond het kampvuur met de Nederlandse Willemijn en Vincent, de enige andere campinggasten. Op 16 november rijden we weer terug naar onze Franse vrinden in La Paz :S (wie weet zijn ze al weg!) en onderweg doen we nog het idee op om oude Toyota Landcruisers te gaan importeren. In deze omgeving rijdt ongeveer 90% van de mensen zo’n schitterende wagen uit de jaren ‘80; groot, robuust, zonder franje en in de meest hippe kleuren (denk aan de surflook: een rode wagen met oranje en gele strepen aan de zijkant bijvoorbeeld). Dit móet een succes worden, dus wie heeft er geld voor ons startkapitaal?!

17 november

demonstrerende Cholitas - La Paz

We sjezen direct weer La Paz in op zoek naar een leuke trekking. Ons oog is gevallen op El Choro-trek, een driedaagse wandeltocht van hoog naar laag. Je schijnt deze tocht op zich ook zonder gids te kunnen doen, maar dan moeten we wel een hoop spullen huren en alles – inclusief eten – drie dagen meezeulen. Veiligheidshalve doen we toch maar een tourtje, want als Dick voor drie dagen eten op zijn rug moet nemen halen we het einde gegarandeerd niet. De hele middag zoeken we naar een bureau bij wie zich al meer gegadigden gemeld hebben, want van de Salkantay in Peru weten we nog hoe leuk het is om zoiets in groepsverband te doen. Helaas blijkt El Choro niet populair bij toeristen in La Paz omdat het slechts wandelen is. De meeste backpackers hebben dat al gedaan in Peru en komen hier om de Huyana Potosi te beklimmen, een zes kilometer hoge sneeuwpiek van een vulkaan waar je met stijgijzers tegenaan kunt. Nee, dat is voor ons (àCharlotte) nog iets te hoog gegrepen hoor. Maar sneeuw willen we wel zien!

La Paz

Eind van de middag vinden we een bureautje waar zich ook twee Brazilianen ingeschreven zouden hebben voor de trekking. Zouden, want Charlotte gelooft het niet zo. En ja hoor, de volgende ochtend als we om half negen downtown paraat staan hebben de Brazilianen net vijf minuutjes eerder ‘afgebeld’. Het meisje zou met een voedselvergiftiging in het ziekenhuis liggen. Yeah right. Nu zijn we dus toch met z’n tweeën plus onze Spaanssprekende gids die zich voorstelt als Frans. We pakken een taxi naar het begin van de trekking op bijna vijf kilometer hoogte, vanwaar je mooi uitzicht zou moeten hebben op de omliggende bergen. Onderweg doet onze Frans – die al duidelijk heeft laten merken dat hij liever in zijn bed was blijven liggen – nog wat inkopen voor de komende dagen. Als we bijna op het vertrekpunt zijn begint het te sneeuwen en eenmaal bovenop de berg zien we geen hand voor ogen meer. Ja, we wilden graag sneeuw zien, maar dan als een mooi poederlaagje op de bergkammen! Wat Charlotte betreft is dit het begin en ook meteen het einde, want we gaan hier natuurlijk niet doorheen lopen, toch?! Dankzij Dicks overtuigingskracht beginnen we toch aan de afdaling. Want dat is wat we de komende drie dagen voor 95% van de tijd gaan doen: afdalen, en wel van Cumbre naar El Chairo en van 4980 naar 1300 meter.

El Choro - niet iedereen kan er om lachen

El Choro - net na vertrek

Er zijn slaapmatjes en een tent voor ons geregeld (slaapzakken moesten we zelf meenemen), maar wat we niet wisten is dat we die zelf moeten dragen. Aangezien er niets meer in of aan onze kleine rugzakken past, moeten we de matjes maar in de hand dragen. Onhandig, zeker in die sneeuw, maar het is niet anders. Al snel merken we dat Frans een man van de pauzes is. Terwijl de sneeuwvlokken ons in een razendsnel tempo  tot verkleumde, witte michelinmannetjes omtoveren, wachten we steeds tot Frans klaar is met ‘z’n ding doen’, wat dat dan ook moge zijn. Een uurtje later, als het gelukkig al bijna is opgehouden met sneeuwen nemen we weer een pauze. We eten de typisch Boliviaanse take away lunch die Frans voor ons gekocht heeft: rijst met een paar gebakken aardappelen (= de groente hier), plakjes gebakken banaan en twee flinke stukken kip.

El Choro trek - de heks en haar twee bezemstelen

Na de lunch knapt het weer goed op en zien we zelfs de zon tevoorschijn komen. Fraanske vindt het tijd voor pauze. Terwijl wij van de prachtige omgeving genieten – ruige rotsen met veel mossen en okerkleurige vegetatie – doet Frans even een dutje. Zo grappig: het ene moment zegt hij nog “ vamos”, mensen we gaan zo weer verder, en het volgende moment ligt hij alweer in diepe slaap. We hebben er maar een fotootje van gemaakt 🙂

Bij gebrek aan echte wandelstokken hebben we in La Paz twee bezemstelen gekocht voor een paar Bolivianos. Voor Dick zijn ze te klein, maar Charlotte heeft er veel profijt van. Conditioneel is het helemaal niet zwaar om constant af te dalen, maar je knieën vinden het alleen wat minder fijn. Met wandelstokken kun je de ergste klappen een beetje opvangen, vooral op de steilere stukken. Al om vier uur ’s middags komen we aan op de eerste camping van de trektocht. De lokale bergbewoners verdienen hier een centje bij door gringo’s te laten overnachten onder een afdakje in hun dorp. Behalve een wc is er niets. Douchen en de was doe je in de kolkende rivier beneden. Fraanske wijst ons de plek waar we de tent kunnen opzetten, dan gaat hij intussen water koken (= een tukkie doen in één van de hutjes). Anderhalf uur later kookt het water, maar op hoogte schijnt dat ook langer te duren… of gaat het er eigenlijk juist sneller..? 😉 Wij vermaken ons intussen met het mooie uitzicht en spelen met de jonge katjes en hondjes.

El Choro - dag 1 - ons vriendje op de camping

El Choro trek - dag 1 - bijna op de camping

El Choro trek - de hele tijd

19 november

Op de tweede en derde dag van de trekking zien we de omgeving veranderen van ruw en rotsachtig naar regelrechte jungle, compleet met watervallen, papegaaien, kolibries en jaguars (nee, die laatste helaas niet en overigens heten die in het Spaans ‘tigres’ volgens Frans, huhuh). In plaats van uitsluitend afdalen hebben we ook een paar klimmetjes; niet meer dan dertig minuten per stuk, maar wel knap steil. De rollen zijn nu wel een beetje omgekeerd. Frans, die we inmiddels hebben omgedoopt tot ‘Luie Frans’, heeft in de gaten gekregen dat we het niet fijn vinden om zo vaak te stoppen en zeker niet wanneer we lekker in ons loopritme zitten. Hij vraagt zo nu en dan of we een kleine pauze willen, maar we zijn onverbiddelijk. Dan geeft hij eerlijk aan dat hij zuurstoftekort heeft en zelf graag wil stoppen. Prima, maar van zijn eerdere opschepperij over álle moeilijke bergen in Bolivia die hij beklommen heeft zijn we nu echt niet meer onder de indruk. En hij is notabene nog jonger dan Dick!

El Choro trek - dag 2

El Choro = daar waar rivieren bij elkaar komen

Op dag twee komen we

goed stappen was er niet bij in de dorpjes - El Choro

wederom vroeg aan op de camping. We hopen dat Fraanske snel het eten klaar heeft want we vallen om van de slaap. Net voor we (om kwart over zeven) gaan slapen vertelt Frans ons het programma van de volgende dag. We zullen om half vijf opstaan, zodat we om half zes kunnen gaan lopen. Anders halen we het misschien niet met het vervoer terug naar La Paz. Dat betekent dat we al gaan lopen als het nog donker is. No way, daar komt wat Charlotte betreft niets van in. We hebben geen zaklamp bij ons en vooral weinig zin om ons nek te breken op zo’n glibberig  bergpaadje omdat je niet kunt zien waar je je voeten neerzet. Oke, dan vertrekken we met licht en zal Frans ons pas om half zes wakker maken.

soms moest je echt een bikkel zijn - El Choro

’s Nachts worden we wakker van een daverend onweer dat tussen de bergen heen en weer rolt en tot zeker vijf uur ’s nachts blijft het regenen. Als we om zes uur opstaan is het droog en zien we een stralende lucht. Wat een geluk! We vertrekken om zeven uur en hebben er stevig de pas in omdat we anderhalf uur goed moeten maken. En dat lukt! De rest van de middag brengen we door met wachten op vervoer (waarom hadden we nou zo’n haast??) en met de drie uur durende rit – opgevouwen op de krappe achterbank van een collectivo – naar La Paz. Onderweg krijgen we alsnog met noodweer te maken wat ons nog bijna komt te staan op een ongeluk; een gevaarlijke inhaalactie van een tegenligger op een moment dat het niet kan. Onze chauffeur ziet dit niet aankomen, simpelweg omdat hij letterlijk niks ziet aankomen; al zijn ramen zijn beslagen, maar desondanks kart hij keihard door, wat hem op een grote uitbrander van een Chileense backpacktoeriste komt te staan. Met stramme knieën maar een voldaan gevoel pakken we in La Paz een taxi terug naar de camping.

21 november

Eens in de tien jaar vindt er een grote volkstelling plaats in Bolivia en die dag is vandaag. Alle winkels zijn gesloten en bijna iedereen is vrij om zich te kunnen melden bij de lokale autoriteiten. Ook wij en de andere overlanders moeten er aan geloven. Gisteren werd er in de supermarkt (een van de weinige supermarkten van heel Bolivia vind je in La Paz) geen alcohol verkocht. Net zoals destijds in Peru – toen er verkiezingen waren – worden de toeristen niet ontzien. We verbazen ons weer over de kortzichtigheid; welk probleem denk je precies te voorkomen door één dag voor zo’n evenement geen alchohol te verkopen? Als mensen zich vandaag willen bezatten hadden ze toch ook eergisteren hun bier al kunnen kopen? Als Dick bij de hotelreceptie is om informatie te vragen over een goede monteur in La Paz wordt hij door de hoteleigenaar doorverwezen naar een Boliviaanse overheidsambtenaar ter plaatse die een vragenlijst met hem doorneemt. Iedereen die vandaag in Bolivia aanwezig is wordt in het onderzoek meegenomen, dus ook toeristen. En wat ze met al die informatie gaan doen? Dat weten ze zelf ook niet zo goed.

’s Avonds bakken we frietjes met kippenbouten en salade. Jaha, wat je al niet met één pitje kunt doen! Beetje jammer alleen dat er tijdens het koken ineens een hevig noodweer losbarst en we twee uur later – als het nog steeds vrij hard regent – ons kookfestijn vanuit het toiletgebouw moeten voortzetten. Gelukkig zijn wij de enigen die er gebruik van maken, maar toch.. Eet smakelijk :S

22 november

In La Paz zit een Zwitserse automonteur die we vandaag een bezoekje brengen omdat er nodig een paar dingen aan de auto moeten gebeuren. Het is even zoeken maar rond een uurtje of half twaalf hebben we hem gevonden. Het is een extreem keurige garage; alle monteurs lijken meer bezig met het opruimen en schoonhouden van de onderhoudsplekken dan met het doen van reparaties. Er is geen spettertje olie te vinden op de hele garagevloer! Direct bij binnenkomst wordt er een monteur vrijgemaakt om aan onze auto te werken. Dan is het van twaalf tot twee lunchpauze en doden we de tijd met het lezen van een boekje. Na de schaft gaat onze monteur weer door met onze bak. De dop van de radiator wordt vervangen (deze sloot niet meer goed, waardoor we op hoogte steeds te maken hadden met lekkages van de koelvloeistof), de benzinefilter wordt vervangen, de stuurbekrachtigingsvloeistof wordt vervangen (hier was in Chili motorolie in gegooid!) en een loszittend deurrubber wordt gelijmd. Net voor sluitingstijd kunnen we afrekenen en weer terug naar de camping. Blij dat dit gedaan is!

vrolijke Dodge bussen in Boliviaanse steden

23 november

In de ochtend maken we een kleine detour naar El Alto, een zusterstad van La Paz, waar we eindelijk de door Dick zo gewenste dakdrager kopen en laten monteren op de auto. Daarna gassen we door in de richting van Uyuni, wat we (volgens verwachting) bij lange na niet halen zodat we wildkamperen aan de rand van een gehuchtje, waar we verwelkomd worden door een stel grote honden met enge rode ogen. De tijd die we nog buiten de auto doorbrengen houden we een paar stenen binnen handbereik, zo doen de locals dat hier ook..

24 november

Bij zonsopkomst staan we op zodat we bijtijds weg kunnen rijden. De eerste kilometers, tot een uur of tien zijn prima, maar daarna volgt een afgrijselijke weg. Toegegeven, het uitzicht is mooi, maar vanwege het gestuiter over het pad en als gevolg daarvan het oorverdovende gepiep van onze slaapstellage zijn de daaropvolgende vijf uur ronduit klote. Als we halverwege stoppen voor een lunchpauze en onze spullen uit de achterbak willen pakken merken we dat de klep niet meer open gaat. Wat we ook proberen, met geen mogelijkheid krijgen we ‘m nog open. Het lijkt wel of de klep door het geschud van de auto geforceerd is geraakt, zo is de therorie van Charlotte. We eten dus maar wat we via de achterdeuren uit de auto te pakken kunnen krijgen. Tot ons grote ‘geluk’ zien we ook nog dat een van de knipperlichten aan de voorkant van de auto aan een electriciteitsdraadje hangt te bungelen. Nou, dat had niet veel langer moeten duren of we waren het kwijtgeraakt!

het is niet voor niks dat Dick meestal rijdt...

Een half uurtje rijden voor Uyuni moeten we stoppen voor een stopbord en omdat er een touw over de weg hangt dat verdwijnt in een hokje waar normaal gesproken een beambte in zit. Dick toetert twee keer ten teken dat we er zijn, maar daarop volgt geen reactie. Om het touw heen rijden is ook een optie, al ziet het hellinkje van zand dat ze er gemaakt hebben er wel heel hoog uit. Waarschijnlijk komen we vast te zitten als we dat nemen. Nog maar eens toeteren dan, misschien ligt die luiwammes wel te slapen. Yep, dit heeft geholpen. Nu komt er een politieagent uit het hokje. Dus er zat tóch iemand in. Hij lijkt alleen ‘not so amused’….

Als de agent aan Dick z’n raampje staat vraagt hij om papieren en als hij die gehad heeft snauwt hij boos wat naar hem, waarbij hij naar de claxon wijst. Oeps, dat was dus niet de bedoeling. Je moet blijkbaar uitstappen en zelf naar het hokje lopen om te vragen of ze het touw laten zakken. De agent neemt Dick zijn rijbewijs mee het hokje in en daarnaast krijgen we de opdracht om hem de verplichte gevarendriehoek, brandblusser en EHBO-kit te tonen. Ja, nu hebben we dus echt een probleem, want we hebben die spullen wel, maar we kunnen er niet bij omdat de achterklep niet open kan. Hoe gaan we dat in godesnaam uitleggen aan deze toch al een tikkeltje geïrriteerde meneer…

Gelukkig schiet Dick plotseling te binnen dat het raam in de achterklep naar beneden kan. Nadat we er drie kilo stof van afgepoetst hebben laten we het zakken en kunnen we zo gelukkig bij de spullen die opgeborgen zitten in een speciaal daarvoor bedoeld vakje in de zijwand van de auto. De EHBO-kit ziet er alleen wel anders uit dan de standaardkitjes die ze hier bij zich hebben. Het is een Care-plus kitje van een Nederlandse apotheek, waar heel relevante dingen zoals steriele naalden, ontsmettingsdoekjes en betadinezalf in zitten, maar de agent vindt het niet voldoende. Hij laat een boek zien met daarin alle verplichte spulletjes voor in de kit. We missen bijvoorbeeld koortslipcrème en iets met zuurstof, geen idee wat dat moet zijn. Voor Charlotte alle reden tot opwinding; de helft van de auto’s hier heeft niet eens functionerende remlichten, maar o wee als je geen pleisters bij je hebt! Vervolgens wil oom agent dat we in Uyuni de ontbrekende spullen gaan kopen en in de tussentijd houdt hij dan het rijbewijs van Dick bij zich. Nou, dat gaan we dus níet doen!

Uiteindelijk weet Dick het met zijn betoverende glimlach, het maken van excuses en een ‘boete’ van 10 Bolivianos voor ongeoorloofd toeteren (zonder bonnetje natuurlijk, dus het geld verdwijnt rechtstreeks in de diepe broekzak van de agent) op te lossen. We mogen door…

Maria is altijd bij ons

Zodra we in Uyuni een hostel met parkeerplaats hebben gevonden gaat Dick aan de slag met het vastzetten van de knipperlichten, die ‘vast’ blijken te zitten met plastic onderdelen. Degelijke auto’s hoor, maar hier hadden ze wel wat extra Yens tegenaan mogen gooien bij Toyota. Nadat hij een liter water in de buurt van het slot van de klep gemikt heeft gaat ook de klep open! Hoera, wat is dat een opluchting zeg! Er was dus niks geforceerd, maar het slot – een haakmechanisme – was helemaal vol gaan zitten met stof, waardoor er geen beweging meer in te krijgen was. Zo, tijd voor een heerlijke pizza ter grootte van een wagenwiel por persona en morgen naar de Salar!

25 november

Jammer dan.. Als we rond de middag bij de benzinepomp aankomen is deze gesloten. We zijn niet de enigen die hier verbaasd over zijn, want ook diverse Bolivianen keren onverrichter zake om. Ook de andere pomp in het stadje is dicht. Tja, we hebben op zich nog wel genoeg benzine, maar de Salar is 12.000 vierkante kilometer en we zouden niet de eersten zijn die er verdwalen, dus nemen we maar liever genoeg extra benzine mee. Terug bij het hostel horen we dat het wel vaker gebeurt dat de benzine op is op zondag. Morgen komt er een tanker met een nieuwe lading maar dan staat er tot zeker rond de middag een enorme rij. We kunnen dus maar beter niet te vroeg vertrekken, zo luidt het advies.

En inderdaad.. de volgende dag staat er een gigantische rij, ondanks dat het al twaalf uur is. Twee uur later hebben we onze benzine, maar deze keer wel met ‘korting’. Bolivianen krijgen hun benzine tegen een door de overheid gesubsidieerde prijs van zo’n drie tot vier Bolivianos, ongeveer 35 eurocent, per liter. Extranjeros betalen echter het driedubbele van die prijs, zonder de subsidie dus. De pompbediende moet dan een bonnetje voor je uitschrijven. Om onder die hoge prijs uit te komen kun je vragen om te tanken ‘sin factura’, zonder bonnetje. In de omgeving van La Paz was het soms best moeilijk om überhaupt een pomp te vinden waar we als buitenlanders mochten tanken, maar hier lukt het wel. Je gooit het dan op een akkoordje voor bijvoorbeeld zes Bolivianos per liter. Drie Bolivianos per liter voor het tankstation, drie per liter voor de pompbediende en drie voor jezelf, want je betaalt dan maar zes in plaats van negen Bolivianos. De jerrycans op het dak laten we ook meteen maar even tot de nok toe volgooien en daarna kunnen we eindelijk de Salar de Uyuni op. Spannend, want een echte weg, laat staan verkeersborden heb je er niet. Het is er lastig navigeren, want je hebt er nul orientatiepunten.

the road ahead is empty - Salar de Uyuni

Op de heenweg, op weg naar het eiland in het midden van de Salar, mogen we een Boliviaanse familie uit Sucre volgen, zij rijden met GPS. Toch blijkt er eigenlijk wel een soort weg te zijn; de duizenden auto’s die ons zijn voorgegaan hebben hun sporen nagelaten in de zoutvlakte, dus zo moeilijk is het helemaal niet. De Salar was ongeveer 40.000 jaar geleden onderdeel van een heel groot prehistorisch meer. Toen het meer opdroogde bleef de Salar achter. Overdag heb je het idee dat je over een gigantisch strand rijdt zonder zee. Voor, achter, links en rechts, overal om je heen is het wit. Aan het eind van de middag bezoeken we het Incahuasi eiland dat begroeid is met duizenden reusachtige cactussen, sommige tot wel twaalf meter hoog! Kolibries overbruggen veertig kilometer om hier honing te komen halen.

Incahuasi eiland - ongeveer 9 meter

bloeiende cactus; zo mooi! - Salar

We kijken hoe een voor een de jeeps weer worden volgeladen met toeristen (er worden regelmatig meer

Incahuasi eiland - Salar de Uyuni

mensen ingepropt dan er eigenlijk in passen) en als de laatste auto’s weg zijn genieten we van de stilte en de indrukwekkende omgeving. Met het licht van de ondergaande zon lijkt het of je op de noordpool bent; alsof het een ijsvlakte is. Het is dan ook aardig koud als de zon weg is. Helemaal alleen zijn we niet bij het eiland… onze Franse buurtjes van de camping bij La Paz zijn er ook. Héél gezellig zeg…

 

salt..

10 miljard ton hebben ze ervan

 

27 november

Na onze illegale nacht op de Salar (officieel mag je er niet kamperen) gaat om kwart over vijf de wekker en schieten we in onze kleren. Te voet gaan we naar de andere kant van het eiland waar we de zon zien opkomen, een spektakelshow als kwam hij speciaal voor ons op.

zonsopkomst vanaf Incahuasi - Salar de Uyuni

Als we er een uurtje later klaar mee zijn en weer terug zijn bij de auto zien we de jeeps van de toertjes met honderd kilometer per uur aan komen stuiven. Net te laat wat ons betreft want het grootste spektakel is voorbij. Een mooi moment om in te pakken en weg te wezen. Tien kilometer verderop parkeren we de SRV-wagen op een mooi plekje (volkomen willekeurig dus, want alles ziet er hetzelfde uit 🙂 ) en maken we ontbijt. De volgende uren brengen we door met het bedenken en uitvoeren van de volgende fotoreportage. Wij waren er zelf erg content mee en hebben er in ieder geval heel veel lol aan beleefd!

– NB: klik op een foto voor een vergroting! (dit geldt voor alle foto’s op de site) –

28 november

Met frisse tegenzin gaan we vandaag op pad, op naar Potosi, met 4090 meter de hoogste stad ter wereld. Op de wegenkaart hebben we gezien dat de weg erheen hetzelfde oppervlak heeft als de weg die we hadden naar Uyuni. Een alternatieve route is er niet bij. Dat wordt weer hel dus. Als we de stad uitrijden worden we blij verrast met een hagelnieuwe pikzwarte asfaltweg, all the way to Potosi. Daar betalen we héél graag tien Bolivianos tolgeld voor! Je krijgt er haast zin van om te gaan rolschaatsen of skateboarden. De weg is niet alleen super nieuw, hij leidt ons ook nog eens door een heel mooi landschap van bergen die iedere vijf minuten weer een ander uitzicht bieden en bijzondere kleuren zoals paars in zich hebben. Wat een fijn ritje en wat zou het hier mooi fietsen zijn… Prompt komen we weer een fietser tegen. Het is een Ecuadoriaan en hij heeft problemen met zijn pinpas en dus geen geld. We zijn blij dat we weer zo’n harde werker kunnen verblijden met wat eten uit onze rijdende marktkraam.

de Salar is geplaveid met zeshoekige tegels

Llama op de Salar

Potosi met haar schilderachtige centrum wordt door de meeste toeristen aangedaan vanwege de zilvermijnen die je er kunt bezoeken. In de Lonely Planet wordt wel gewezen op de gevaren waar je je in dat geval aan blootstelt. Ook al vinden er dagelijks vele toertjes plaats, de mijnen zijn nog steeds operationeel en er wordt gewerkt met giftige stoffen zoals asbest en silica. Niet voor niks dat de mijnen al 9 miljoen mensenlevens geëist hebben en de gemiddelde mijnwerker nog steeds niet ouder wordt dan een jaartje of 45. Daarnaast moet je ook niet te claustrofobisch zijn aangelegd. We besluiten om de mijnen te skippen, vooral omdat het voor ons een beetje voelt als ‘aapjes kijken’ en ook omdat we niet zo gek zijn op krappe, benauwde en donkere ruimtes waar je slecht kunt ademhalen.

In plaats van de mijnen gaan we naar museum Casa Nacional de la Moneda. Een paar zalen met schilderijen (in alle eerlijkheid: op één topstuk na – ‘La virgen cerro’ – zijn ze niet om aan te zien en misschien daarom zo slecht belicht) en een stuk interessanter is de rondleiding die ons de ontwikkeling van de Munt door de jaren heen laat zien. Vanwege het zilver in mijnen leverde Potosi in de hoogtijdagen (toen de Spanjaarden er zaten) vijftig procent van het muntgeld in Europa en was het een van de rijkste steden van Zuid-Amerika. Boeiend om te zien hoe de techniek om munten te slaan in de loop van de eeuwen veranderd is en volgens de gids een uniek museum in de wereld.

29 november

Op naar Sucre, de hoofdstad van Bolivia. Wat een leuke stad is dit! Helemaal geen straf om hier een weekje door te brengen, ondanks dat we er naar school ‘moeten’. Halverwege de middag komen we er aan en na even zoeken vinden we de language school van onze voorkeur. Voor een kleine vier euro per uur hebben we hier de komende week vier uur per dag privéles. Onze ‘camping’ vinden we aan de hand van een tip van andere overlanders. Het is eigenlijk de achtertuin van een Boliviaans gezin, waar Alfredo, de eigenaar en een professor Techniek aan de Universiteit van Sucre, zijn klushok heeft. Er is een gezamenlijke ruimte met wifi, een keuken met fornuis en een badkamertje en het is gelegen op minder dan tien minuten lopen van het centrale Plaza de Mayo.

De volgende dag starten we op de talenschool met een gezamenlijke lunch met de andere cursisten. We ontmoeten Adam en Maria, een Engels stel, dat net als wij Spaanse les volgt en ook nog wat vrijwilligerswerk doet. Samen met hen en met Lidewij, een Nederlandse, gaan we ’s avonds de stad in en vermaken we ons goed met het ‘hora feliz’ (happy hour), dat de toch al zo goedkope drankjes in Bolivia nog goedkoper maakt.

met Maria en Adam naar The Big Match - Sucre

Na de camping twee dagen gedeeld te hebben met een Pools stel dat samen op één motor Zuid-Amerika doortrekt hebben we de camping voor onszelf alleen. Heerlijk om even je ‘eigen’ huisje te hebben! Op zaterdag gaan we met Adam en Maria naar een voetbalwedstrijd; Sucre tegen één van de teams uit La Paz (er zitten totaal zes teams uit La Paz in de Boliviaanse competie). Voor Charlotte de eerste keer dat ze een voetbalwedstrijd bijwoont, maar zelfs zij kan zien dat het niveau abominabel is. Toch leuk om eens mee te maken (ongeveer twee euro voor de beste plaatsen) en er is genoeg te zien in het voor tien procent gevulde Olympisch Stadion. Schreeuwende die hard fans, mensen die tijdens de wedstrijd op hun draagbare radio een (ongetwijfeld spannendere) wedstrijd van Barcelona volgen, hondjes die rondkuieren in het stadion, de zeer enthousiaste muzikale aanhang van de thuisclub achter de goal, de verkopers van snoepgoed, hamburgers en jellytoetjes en niet te vergeten de tot de tanden bewapende ME’ers die inclusief protectiescherm staan opgesteld bij de spelers dugout (for what??). De match eindigt uiteindelijk in 3-1, meer geluk dan wijsheid wat ons betreft, maar desalniettemin een leuke invulling van de middag. Nadat we met de verkeerde bus bijna in Argentinië waren uitgekomen eindigen we de dag met een Chinese maaltijd in de stad en natuurlijk nog meer ‘horas feliz’ met een viertal Ieren. Wat zijn die lui uit Groot-Britannië toch gezellig!

De dagen die volgen lijken best veel op elkaar. ’s Ochtends het huiswerk maken van de vorige lesdag – overschrijven is er niet bij, want we krijgen ieder andere stof – en ’s middags les. Met het lestijdstip zijn we trouwens niet zo blij, omdat we de afspraak hadden gemaakt dat we ’s ochtends les zouden hebben. De directrice van de school – die er volgens eigen zeggen écht niks aan kan doen – heeft andere cursisten die nog wat langer wilden blijven toegezegd dat ze hun lesmomenten in de ochtend voort konden zetten, zodat wij nu blijvend moeten verplaatsen naar de middag. Op zich geen ramp, maar gewoon niet netjes en vooral irritant als iemand geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen beslissing. Nadeel is alleen dat we nu niet zoveel van de stad zien. Als je ’s avonds thuiskomt na de les en net hebt gekookt en gegeten is het laat en hebben wij niet meer de moed en het doorzettingsvermogen om ons huiswerk nog te maken om de volgende ochtend vóór schooltijd iets van de stad te gaan zien.

Ook onze eennalaatste lesdag sluiten we af met een drankje met onze Engelse matties. Inmiddels zijn we niet meer alleen op de camping. Er is een Duits echtpaar met de camper aangekomen. Super sympathieke lui die barsten van de tips, aangezien wij precies ‘hun’ route door Brazilië gaan rijden! Een paar uur lang voorziet Peter ons met typisch Duitse gründlichkeit van een lijst met tips over wegen, bezienswaardigheden en plaatsen om te overnachten. Alles wil hij letterlijk uitspellen en daar bovenop krijgen we ook nog een wegenkaart en een reisgids (in het Portugees) van hen. Fijne buurtjes hoor!

de enige regenachtige dag in Sucre in de hele week

Charlotte heeft Dick ervan weten te overtuigen nog een dag langer te blijven in Sucre. Door de rottige lestijden hebben we behalve de weg van de camping naar school en wat kroegen niks gezien van de stad, terwijl de oude binnenstad zelfs UNESCO is. Charlotte wil graag nog een wandeling door de stad maken en wat foto’s maken. Dat betekent wel dat het aantal dagen dat we nog over hebben om de grens over te gaan heel krap wordt. Ons visum verlengen is heel makkelijk, maar als we op vrijdag een taxi nemen naar de rand van de stad om het invoerdocument van de auto te laten verlengen bij  het douanekantoor, horen we dat je daarvoor eerst een verzoek in moet dienen via internet! Vervolgens moet je terugkomen naar het kantoor met kopietjes van je paspoort, de autopapieren en alle overige documenten die eventueel van belang zouden kunnen zijn en krijg je je verlenging. Helaas pindakaas, dat gaat ons dus niet meer helpen. We hebben nu nog precies drie dagen om de grens over te gaan. Als er geen gekke dingen gebeuren is dat genoeg, maar het zal spannend worden…

De rest van de dag scharrelen we een beetje rond over de overdekte ‘Mercado Central’ van Sucre en shoppen we wat souvenirs. Voor het eerst in ruim een week dat we er zijn regent het er namelijk. Pijpenstelen. Hebben we alsnog geen mooie foto’s van de ‘Witte Stad’…

8 december

euh... van A naar Beter?

Uitgezwaaid door Felicidad en Alfredo, de camping eigenaars, verlaten we Sucre bijtijds, nog voor negen uur. Net zoals gisteren en vannacht regent het nog steeds, blèèè.. We hopen toch een flink eind te komen, met een beetje geluk doen we vandaag een kilometertje of zeshonderd. Aan de rand van de stad stoppen we nog voor een extra gevarendriehoek. In Argentinië ben je namelijk verplicht om er twee bij je te hebben in de auto en hier zijn ze lekker goedkoop. De eerste 70 kilometer is prima, totdat we bij wegwerkzaamheden komen. Er wordt ons verteld dat we niet verder kunnen over de weg maar door de rivier verder moeten. Ja doei! Als de jongeman weg is geven we gas en kunnen we dankzij de 4×4 over de zanderige bergjes heenkomen die de weg blokkeren en vervolgen we onze weg. Zo, opgelost! Niet dus.. want na een paar kilometer zien we een boel vrachtwagens bij elkaar en iets wat lijkt op het einde van de weg. Er wordt een nieuwe weg aangelegd, maar die is nog niet toegankelijk. De omleiding leidt door een rivier. En met ‘door de rivier’ bedoelen we dus dóór de rivier. Gedurende zeker tien kilometer rijden we dwars door de rotsige rivierbedding waarbij het water gelukkig nooit veel hoger komt dan een halve meter, maar toch.. Het is een spannende ervaring, zeker de eerste kilometer. Om de haverklap zien we auto’s met panne staan en we zijn maar wat blij met de betrouwbaarheid van onze Toyota die zich braaf over de keien ploegt. Wat zijn we opgelucht als we uiteindelijk weer op een echte weg rijden!

wegomleiding door de rivier

Het vervolg van de route van vandaag gaat dwars door de bergen. Van twee mogelijke opties kiezen we het langste alternatief, omdat de kortste route volgens de dorpsbewoners erg te lijden heeft gehad onder de zware regenval en daardoor slecht toegankelijk is. Het is nog even afzien, 90 kilometer over een soort kleine kinderkopjes door de bergen, maar daarna laat de kaart een echte snelweg zien en van meerdere Bolivianen weten we dat er asfalt ligt. We schatten toch wel minstens tachtig op die weg te kunnen rijden en berekenen zo waar we vannacht zullen overnachten.

Niets is wat het lijkt blijkt maar weer als we vertwijfeld beginnen aan de ‘snelweg’. De eerste twee kilometer zien we zo nu en dan nog een flard van wat ooit asfalt is geweest, maar daarna is het zelfs daarmee gedaan en hebben we weer net zo’n snertweg als naar Uyuni. Meer dan dertig per uur wordt het niet meer vandaag. Af en toe passeren we een klein gehuchtje, maar over het algemeen zitten we midden in de natuur. Da’s dan weer wel heel erg mooi, maar die natuur zou voor ons niet minder mooi zijn met glad zoevend asfalt onder de wielen.

uitzicht vanaf wildkampeerplekje

Om half zeven, een half uurtje voor zonsondergang, stoppen we op een afgelegen grasveldje om daar de nacht door te brengen. Tot onze grote schrik zien we dat we ons rechterknipperlicht aan de voorkant zijn verloren! Hing het op de weg richting Uyuni nog te bungelen aan een kabeltje, nu was het foetsie. Op hoop van zegen zijn we nog een eindje teruggereden naar de laatste tol’poort’, maar zonder resultaat. Niet te geloven trouwens dat ze hier tol voor durven te vragen, maar onze theorie is dat er van de opbrengst van alle tol een nieuwe weg aangelegd wordt, dus pas als er voldoende geld is opgehaald. Tot die tijd..

wakker worden op wildkampeerplekje

Als we de auto hebben klaargemaakt voor de nacht komt er een oude mevrouw aangelopen die net klaar is met het hoeden van haar geiten. We vragen of we de nacht mogen doorbrengen op haar grond (ervan uitgaande dat het haar grond is) en het mag. Ze doet het provisorisch gemaakte hek voor ons ook nog dicht zodat we veilig ‘ingesloten’ zijn. Toch fijn dat we nu een beetje Spaans kunnen spreken, al merken we vooral ook hoeveel woordjes we nog niet kennen.

10 december

Om half zes staan we op. Het uitzicht over het dal waaraan we staan is fenomenaal; precies op onze hoogte hangt een wolkendek, dat er vanuit ons perspectief uitziet als een wattendeken waar je zo overheen kan rennen. Toch doen we dat niet, want we moeten door! Vandaag ruim vijfhonderd kilometer te gaan naar San Jose de Chiquitos – bekend om zijn Jezuïetenkerken – waar we weer lekker in een hotelletje slapen. De Boliviaanse ‘snelweg’ is gelukkig niet zo heel erg lang meer en daarna is het weer echt asfalt wat de klok slaat. We slagen er nog een paar keer in om te tanken voor Boliviaans tarief (blijkbaar kunnen we inmiddels op het eerste gezicht voor Bolivianen doorgaan, want niemand checkt ons buitenlands kenteken!) en zien het landschap om ons heen sterk veranderen, zeker na de miljoenenstad Santa Cruz gepasseerd te zijn.

het landschap verandert na Santa Cruz

De bergen zijn we na de middag echt uit en we rijden nu door de Boliviaanse kant van de Pantanal. De Bolivianen die hier wonen voelen zich meer verwant met Brazilië en Argentinie en willen zich het liefst ook afsplitsen van Bolivia.  Het is dat je af en toe nog een dame met twee lange vlechten op haar rug en wijde rokken aan ziet lopen, want voor de rest waan je je al in een ander land. Jungle, grasvlakten, bergen en palmbomen wisselen elkaar af. Maar wat nog het meeste opvalt is de hitte; alsof we weer terug zijn in Zuid-Oost Azië! Het water loopt van onze gezichten af en de zon fikt zo hard dat je er voor je lol niet in gaat staan. Zo anders dan de afgelopen paar maanden: doordat we bijna constant op hoogte hebben gezeten is het overdag nooit echt heet geweest en zeker niet klam, maar vooral heel aangenaam warm. Droge warmte overdag dus en ’s avonds en ’s nachts koelt het lekker af. Da’s nu voorbij en we vragen ons af hoe dat gaat zijn in de auto…

Eerst nog een nachtje in een hotel. We zitten nog ruim in de Bolivianos en aangezien de wisselkoers aan de grens zwaar belabberd schijnt te zijn voelen we ons maar niet al te schuldig over de dure kamer die we vannacht hebben in dit door Fransen gerunde hotel. In het dorpje vragen we de weg. Alle niet Jezuïeten lijken er dronken (zondagmiddag), maar we worden desondanks de goede kant opgestuurd. Een groot bed, zachte witte schone lakens en airco plus een grote badkamer, helemaal voor onszelf alleen. Dat is ook weer weleens een keertje lekker! Omdat het al laat is hebben we niet meer de puf om nog een Jezuïeten-kerk te gaan bekijken. Wel zien we veel Jezuïeten rondrijden met paard en wagen, ouderwetse boerenkleding aan, strohoeden op hun hoofd en overwegend zeer norse koppen. Een beetje amish-achtig, zoals het er uitziet.

De volgende ochtend doen we op ’t gemakske. We genieten van een uitgebreid ontbijt en karren daarna rustig naar de grens, nog zo’n 400 kilometer verderop. Onderweg komen we nog een paar politiecontroles tegen en bij beide moet er een ‘vrijwillige bijdrage’ betaald worden van vijf Bolivianos. Bij één post ziet Dick dat ook de locals dit bedrag betalen. Aangezien je in ruil voor je bijdrage geen bonnetje krijgt weet je wel hoe laat het is, maar je moet wel heel principieel zijn om over vijfenvijftig eurocent een probleem te gaan maken, zeker als je met een deadline voor de grensovergang zit. Ook daar schijn je trouwens maar beter nog wat kleingeld voor achter de hand te kunnen houden…

Van twaalf tot twee is de grensovergang gesloten in verband met de lunchpauze en om half drie arriveren wij er. Van ons laatste geld hebben we de auto nog maar eens volgegooid (weer lokaal tarief!) en boodschappen gedaan en tot slot zoeken we in het grensplaatsje het lokale postkantoor op. De stadjes waar we de afgelopen dagen doorheen gekomen waren zo klein dat ze niet eens beschikten over een brievenbus. Vreemdgenoeg staat er buiten dit postkantoortje ook geen brievenbus terwijl de dorpsbewoners ons toch echt naar het postkantoor verwezen toen we om een brievenbus vroegen. Het postkantoor is al dicht, dus de ansichtkaarten voor onze ouders en zusjes  hangen we maar in een plastic zakje aan de deur. Postzegels zitten er al op, dus nu komt het aan op de eerlijkheid van de Boliviaantjes of onze kaarten over een maand of wat in Nederland arriveren.

De grensovergang gaat smooth… Als we onze paspoortstempels hebben en een uitdraai van het uitvoerdocument voor de auto kunnen we haast niet geloven dat dit alles is. Wat een verschil met de andere kant van het land, toen we Bolivia inkwamen! Ook Brazilië gaat gemakkelijk en vooral opvallend: super hartelijk! Geen streng uitziende militairen, geen bureaucratie, geen twintig checks, maar een geïnteresseerde Engelssprekende man in vrijetijdskleding die onze papieren in orde maakt. Een fijne binnenkomer!

We vinden Bolivia echt een aanrader. De mensen zijn nogal gesloten en weinig spontaan zo was onze ervaring, maar als je van natuur houdt en je budget beperkt is, dan moet je hier vooral zoveel mogelijk tijd doorbrengen. Grassy ass Bolivia!!! 😉

Thuis gaat alles met iedereen gewoon door, zo hebben we de afgelopen weken gemerkt. Sinterklaas komt en gaat, relaties gaan over, dierbare huisdieren worden ziek, mensen kopen huizen, andere mensen gaan óók op reis, vrienden met wie het even wat minder goed gaat en kleine kindjes die groot worden. Het duurt nog even, maar op 3 april komen we weer aan in Düsseldorf. De laatste vliegtickets zijn geboekt, de cirkel is rond. We denken veel aan jullie (echt waar!) en hebben heel veel zin om jullie weer te zien, maar gaan eerst nog even een paar maanden keihard genieten in Zuid-Amerika, te beginnen met Brasil!!

p.s. we hebben een principe-overeenkomst over de verkoop van de auto aan een Zwitserse toeriste, februari 2013, zevenhonderd kilometer onder Santiago. Super fijn! Altijd nog even afwachten tot het echt rond is, maar vooralsnog ziet het er goed uit!

 

 

Mijn locatie Sucre, Chuquisaca, Bolivia.

Van Santiago naar woestijn woestenij

Op dinsdag 2 oktober komen we met Felipe overeen dat we zijn auto gaan kopen. Pas op donderdag heeft hij tijd voor de daadwerkelijke overdracht. Woensdag besteden we daarom aan het aanschaffen van nog meer noodzakelijke campingspullen en op donderdagochtend ontmoeten we Felipe om 10.00 bij zijn werk in het zakendistrict Las Condes. We moeten samen naar de notaris waar een overeenkomst wordt opgemaakt tussen koper en verkoper, zoals dat gebruikelijk is in Chili. Vervolgens gaan we samen naar een bank om de betaling aan de notaris te doen en daarna weer terug naar de notaris voor het tekenen van de overeenkomst. In Chili ondertekent men alle officiële documenten niet alleen met zijn handtekening, maar ook met een vingerafdruk. Toen Felipe onze verbaasde blikken zag vroeg hij of dat in Nederland dan niet zo ging. Nee, eigenlijk hoef je dat bij ons alleen maar als je verdachte bent van een strafbaar feit! En trouwens ook voor het aanmaken van een paspoort, maar daar dachten we later pas aan.

Dick is nu eigenaar van de auto geworden, alleen moeten we nog wachten tot de overeenkomst is ingeschreven in de Chileense archieven, dan is het formeel. Daar gaat een weekje overheen, dus volgende week woensdag moeten we terug naar Santiago om de eigendomsakte op te halen. Klein dompertje, maar dan blijven we voorlopig dus nog maar even in de buurt van Santiago.

Na de notaris gaan we naar de bank van Felipe om de koopsom (die we in de afgelopen week met veel gedoe bij pinautomaten en met onze creditcards bij banken bij elkaar hebben geschraapt) te laten tellen en te laten storten op zijn rekening. Daarna krijgen we de sleutels en is de auto van ons! We parkeren de auto direct in een garage in de buurt en gaan dan naar een verzekeringskantoor om ‘m voor de komende 5 maanden te laten verzekeren. All risk blijkt onbetaalbaar (eurootje of 1000 en dan zijn inbraak en diefstal nog niet eens meeverzekerd). Zakkenvullers die verzekeraars!!! ;D We houden het daarom bij de verplichte wa-verzekering en zijn blij dat we hier geen omkijken meer naar hebben. Oorspronkelijk was het plan namelijk om per land een nieuwe verzekering af te sluiten, maar dat hoeft nu dus niet meer.

met de vlam in de pijp

Omdat de tomtom Chili op de iPad van Dick het laat afweten navigeren we ‘met behulp van’ de toeristenkaart van Santiago centrum en een kompas (maar eigenlijk meer op goed geluk) door de stad, op weg naar de Easy, een bouwmarkt waar ze naast hout voor het bedframe ook allerlei andere spullen verkopen voor in en om het huis. De aankoop van hout en plastic boxen (check de foto’s om te zien wat we precies bedoelen) is echter nog niet zo makkelijk als we gedacht hadden, zodat ons plan om de volgende dag uit Santiago weg te rijden in rook opgaat. Sterker nog, pas tegen vier uur zitten we uitgehongerd aan een lunch/diner en daarna moeten we alles nog uit gaan meten.

Van internet heeft Dick het idee voor een bedframe voor in de auto. Een Australiër heeft een super handig systeem bedacht om een SUV-model auto als een soort mini-camper te kunnen gebruiken en foto’s van de voortgang van zijn knutselkunsten op internet geplaatst. Dit is wat wij na gaan maken. Verschilletje is alleen dat die Aussie vanuit zijn eigen huis rustig heeft kunnen meten, zagen en timmeren, en wij dit vanuit een parkeergarage in Santiago moeten doen. Anyway, na de lunch gaan we – lichtelijk gehinderd door een after dinnerdipje – gewapend met pen, papier en meetlint aan de slag. Pas bij het meten komen we tot het inzicht dat de hoogte van de staande planken (waarop straks een plank met daarop het matras rust) afhankelijk is van de opbergboxen die we eronder willen plaatsen. En die boxen hebben we nog niet. We kunnen dus nog geen hout laten zagen tot we weten welke boxen het worden (en liefst moeten er natuurlijk zoveel mogelijk in passen, om alle zooi die we verzameld hebben kwijt te kunnen).

De Easy heeft een grote diversiteit aan opbergboxen in haar assortiment, wat de keuze voor ons niet makkelijker maakt. Maar als we staan te meten, rekenen afwegen bedenken we ons nog een grote factor van belang; de hoogte van de auto! Aangezien we in de auto gaan slapen en het niet als een lijkkist moet voelen, mogen de boxen eigenlijk helemaal niet zo hoog zijn. Boven de boxen komt zoals gezegd nog een liggende plank waarop het matras rust en dáár bovenop komen wij te liggen. En hoe dik is een matras eigenlijk? Jeetje, het wordt hoe langer hoe lastiger. Fijn natuurlijk dat we ons dit nu bedenken en niet nadat we een hoop hout op maat hebben laten zagen, maar het is inmiddels al een uurtje of zeven en eigenlijk zitten we er gewoon doorheen voor vandaag.

Natuurlijk zijn we zo verstandig om ons niet door onze vermoeidheid te laten weerhouden en dapper hakken we de noodzakelijke knopen door. Met een beetje geluk zitten we toch een heel end in de goede richting met onze inschatting  en kunnen we morgen nadat de boel in elkaar getimmerd is op pad! We kopen acht opbergboxen, bepalen de maximale hoogte van het nog aan te schaffen matras en laten hout op maat zagen. Daarna kopen we een stuk dunne ondervloerbedekking om ter bescherming in de auto te leggen en nog wat kampeerspullen. Bij al onze aankopen worden we begeleid door Luis, een supervriendelijke medewerker van de Easy, die optreedt als onze vertaler. Wij vertellen hem wat we willen en hij legt het vervolgens in het Spaans uit aan zijn collega’s op de andere afdelingen. Als we alles hebben afgerekend krijgen we een hartelijk afscheid van Luis en zijn e-mailadres in onze handen gedrukt. De foto’s van het eindresultaat heeft hij nog van ons tegoed!

Kitty is weer van de partij!

Onze hostel in Santiago hebben we uitgekozen op de parkeerplaats die er bij zit op een aangrenzende binnentuin en daar starten we de volgende ochtend met timmeren. Door de vermoeiende dag gisteren zijn we veel later opgestaan dan de bedoeling was. Komt nog bij dat we niet bepaald een uitstekende nachtrust hebben gehad. Het hostel wordt bevolkt door een stuk of dertig dove en slechthorende voetballers die mee doen aan een internationeel voetbaltoernooi voor doven. De doven onder hen, daar heb je geen kind aan, maar de slechthorenden zijn te irritant en asociaal voor woorden. Ze schreeuwen alles bij elkaar om zich verstaanbaar te kunnen maken! Verder heeft hier natuurlijk niemand last van..

Al snel in het montageproces komen we er achter dat we toch een paar kleine denkfoutjes hebben gemaakt, waardoor een paar planken te groot zijn voor de constructie. Een stukje erbij zagen kan niet, maar een stukje eraf gelukkig wel en met heel de zooi hout rijden we weer terug naar de Easy. Vandaag kost het ons gelukkig minder tijd dan gisteren om er te komen. Rijden zonder tomtom of wegenkaart in een stad als Santiago is één ding, maar daar komt nog bij dat bijna alle straten in de stad eenrichtingsverkeer zijn. Alsje dus al in staat bent om op gevoel de juiste richting op te rijden (zoals Dick) blijft het een karwei om een straat te vinden waar je in mag. Met de planken in het juiste formaat gaat de klus verder en bouwt Dick een super stellage!

bedframe

piest pesas!

6 oktober

In de middag rijden we nog even langs de Mall del Meuble om een matrasje aan te schaffen. Het wordt een schuimrubberen exemplaar met de breedte van een

koelkassie

twijfelaar. Alle echte boxspring matrassen die we hebben gezien zijn helaas veel te dik (euh.. comfortabel?). Nu zijn we echt helemaal kampeerklaar. Het enige dat niet zo meewerkt is het weer. Het is super koud en vooral ook heel erg nat in Santiago en omstreken. In Valparaiso aan de kust, 130 kilometer verderop is het helaas niet veel beter. Misschien is het in de inde chambre d’hote waar we onze intrek nemen (gerund door een Fransoos uiteraard) nog wel kouder dan erbuiten! Tegen half tien ’s avonds wagen we ons de lange steile weg af naar het centrum, op naar een bord chorillana. Volgens de eigenaar een lokale specialiteit. Het blijkt een enorme berg friet met gebakken uien en wat stukjes vlees en ei er doorheen. Nou niet echt dat je zegt super, vooral niet omdat de dikke frieten vanbinnen niet gaar zijn. Smaakt een beetje naar voorgebakken friet dus, maar het lijkt zo te horen! Het tentje waar we de chorillana eten is wel een belevenis op zich. Overal waar je kijkt zie je vitrinekasten compleet afgeladen met beeldjes, glaasjes, relikwieën en wat je maar kunt bedenken. Bij sommige kasten hangen pasfoto’s van mensen met een wens erbij, bijvoorbeeld om snel een partner te vinden of te genezen van een ziekte.

heuvels net buiten Santiago

de Blauwe is van ons!

Valparaiso is een aardig plaatsje, maar met het baggerweer wagen we ons de volgende dag alleen buiten om boodschappen te doen voor het avondeten, wat we bereiden in de keuken van de chambre d’hote. Dick ligt met een verkoudheid op bed en Charlotte gebruikt de dag om een beetje te skypen met Nederland.

8 oktober

Ondanks dat het weer er niet beter op geworden is, besluiten we toch nog eens verder te gaan kijken. In de buurt van Valparaiso zou een camping moeten zitten in Quilpue, een stadje verderop. Wat we ook proberen, onze tomtom Chili weet ons er niet heen te brengen. De frustratie groeit met de minuut en na anderhalf rondjes rijden in de buurt van waar het zou moeten zijn taaien we af. Zelfs het vinden van de camping had ons eigenlijk niet meer op kunnen vrolijken, aangezien het nogal een beetje een griebus was waar we rondreden. Dat in combinatie met kou en grijze lucht…

We druipen af, terug naar het hostel in Santiago. Een dag te vroeg voor de notaris, maar wie weet hebben we geluk en zijn onze papieren al wel eerder gereed. Terug in het hostel is de groep met Braziliaanse doven en slechthorenden alleen maar groter geworden lijkt het. Voelt heel vertrouwd om weer terug te zijn, dat wel.. 😉

9 oktober

We vragen de jongen achter de receptie van ons hostel om een belletje te doen naar de notaris om te vragen of onze papieren al gereed zijn. Wat blijkt: de papieren zijn verre van gereed, omdat er iets met onze RUT aan de hand zou zijn. De eigendomsoverdracht heeft dus nog steeds niet definitief plaatsgevonden en we krijgen het advies om terug te gaan naar het stadskantoor waar we de RUT in eerste instantie gekregen hebben. Daar aangekomen wordt ons – door de enige medewerker die een beetje Engels spreekt – verteld dat er zeker niets verkeerd is met onze RUT en dat we het beste naar het stadskantoor kunnen gaan waar de overschrijvingen plaatsvinden. Bij dit stadskantoor blijkt de taalbarrière nog groter, want als we eindelijk aan de beurt zijn slagen we er nauwelijks in om met ons zeer beperkte Spaanse vocabulaire uit te leggen wat er aan de hand is. Het meisje achter de balie lijkt – nadat ze van de schrik bekomen is dat ze buitenlanders moet helpen – toch wel te weten wat er moet gebeuren. Als we opgelucht weglopen bij de receptie en op ons gemak het formulier bekijken dat ze ons heeft meegegeven blijkt er toch weinig van te kloppen. Degene van wie wij de auto hebben gekocht staat nu geregistreerd als eigenaar, alsof hij de auto net gekocht heeft van de eigenaar vóór hem! Bovendien hebben we de officiële verkoopovereenkomst niet teruggekregen van het meisje. Terug dus… Het blijkt allemaal heel erg ingewikkeld te zijn en er komt nu een andere dame bij. Uiteindelijk wordt er een nieuw document opgemaakt, waar een fictieve partij in wordt geïntroduceerd van wie wij de auto zouden kopen. Waar dit goed voor is weten we nog steeds niet, maar het kan blijkbaar niet anders. Oja, en over twee weken kunnen we het definitieve eigendomsbewijs op komen halen in Santiago. Pardon!? Dat is echt even heel andere informatie dan we op internet hebben gelezen! Godzijdank kunnen we Ferry’s hulp inschakelen om ons te zijner tijd het document ergens in Noord-Chili toe te sturen per koerier, want nog eens terug naar Santiago willen we echt niet. We willen vooruit! Gelukkig valt er nog genoeg te zien om ons twee weken in Chili te kunnen vermaken, voor we de grens met Bolivia veilig kunnen oversteken.

10 oktober

Als we voor de tweede keer vertrekken uit het hostel verlaten we de stad op een andere plek dan een paar dagen eerder. Het is dus weer een aardig gepuzzel, zeker omdat we geen donder hebben aan de tomtom. Is het wel tomtom Chili eigenlijk, of hebben we per ongeluk Brazilië gekregen ofzo? We geven er de voorkeur aan de autopista (snelweg in Santiago) te vermijden, omdat je daar een soort tol voor moet betalen en speciaal op zoek moet naar een benzinestation waar je die tol kunt betalen. Doe je dit niet, dan mag je voor de rechter uitleggen waarom niet, zo hebben we gehoord. Uiteraard komen we op het allerlaatste moment nog wel op de autopista terecht, maar gelukkig vinden we na wat rondvragen nog het juiste benzinestation. De route leidt vandaag ook weer naar de kust en wel naar Pichidangui, waar volgens onze campinggids een paar campings zouden moeten zitten. Alle drie de campings die we vinden zijn dicht, al behoren ze ook buiten het seizoen open te zijn. Shiiiiittt… moeten we nou meteen de eerste nacht al wildkamperen? Dick vindt het wel gaaf, maar Charlotte zou het fijner vinden als we eerst een nachtje konden testkamperen op een echte camping. Er lijkt toch niets anders op te zitten en we kiezen een plekje bij de ingang van een camping, dat niet te zien is vanaf de weg. Bovendien kunnen we daar water aftappen voor in onze waterton om te kunnen koken e.d. We haasten ons naar de minimarkt in het dorpje waar we boodschappen voor het avondeten inkopen en gaan dan nog langs een benzinepomp om een jerrycan te kopen en deze te laten vullen. Onze reservebrandstof hebben we nu in ieder geval alvast, maar voor dit moment belangrijker nog: brandstof om mee te koken op onze multifuel brander. Als we terug zijn op de ‘campingspot’ valt de schemer al wanneer Charlotte alles klaar zet om te koken en Dick de gebruikaanwijzing van de brander begint te lezen. Máár: net voor het echt donker is, is ons eerste campingmaaltje klaar! Het stelt niets voor bij gebrek aan tijd en aan verse producten in de minimarkt, maar de aardappelpuree met erwtjes en worst is warm en voedzaam. Voor nu is dat even het belangrijkste criterium. 🙂

Costa Negra, Pichidangui

Al een tijdje houdt een grote herdershond ons gezelschap. Of bewaakt hij ons soms? Als we de laatste happen van ons prakkie naar binnen werken en nog maar eens een wijntje inschenken komt het antwoord. De campingbewaker wandelt langs en legt in het Spaans uit dat de andere ingang van de camping een eindje verderop is en dat we dus gewoon op de camping kunnen staan. Het is in ieder geval niet de bedoeling dat we hier wildkamperen. O, dat hadden we niet in de gaten. Na betaling van 10.000 pesos (zo’n 20 US dollar, wat een heel gangbaar tarief in het laagseizoen blijkt te zijn) installeren we ons alsnog op de van god verlaten camping en maken we ons klaar voor de eerste nacht.

Het slaapcomfort in onze ‘Blauwe’ valt ons alles mee, ware het niet dat we werkelijk de hele nacht om de haverklap gewekt worden door muggen. Met behulp van de zaklamp weten we er zeker 15 te traceren en dood te meppen, maar je wordt toch een beetje gebroken wakker na zo’n nachtje. Hoe de krengen binnenkomen ontdekken we niet. Misschien door de luchtroosters? Of kunnen ze zich echt naar binnen wurmen door het kleine streepje open raam? We zullen het morgennacht weer wel zien!

11 oktober

Na nog wat van de mooie kustlijn genoten te hebben vervolgen we onze weg richting de eindbestemming van vandaag: Tongoy aan de Costa Negra. De camping die we hier na een paar rondjes cruisen vinden is ook op één stelletje na leeg. We vinden het niet erg, want op deze manier hebben we alle ruimte om de volgende dag de wagen eens even helemaal uit te pakken en opnieuw goed in te laden. We maken ook meteen van de gelegenheid gebruik om wat foto’s te maken van het bedframe, zodat we die straks kunnen gebruiken voor de verkoopadvertentie. Met het te koop zetten van de auto willen we niet te lang wachten, omdat we ‘m het liefst verkopen aan andere reizigers, met alles erop en eraan. Zoals ook wij deden kijken de meeste overlanders al een half jaar van tevoren of ze op een bepaalde tijd en in een bepaalde regio een auto kunnen overnemen.

even opnieuw inruimen

Eindelijk kunnen de dikke kleren weer eens een keertje uit en genieten we van een voorzichtig voorjaarszonnetje (waar je stiekem toch een hele rooie kop van kunt krijgen als je niet oppast 😉

13 oktober

Vandaag is Dick jarig – hoe zou je zoiets toch kunnen vergeten!! – en na het ontbijt laden we de boel weer in en vervolgen we onze trip over een prachtige route naar de Valle del Elqui. De weg leidt ons door droge valleien, nu eens over asfalt, dan weer over zandwegen. De streek staat bekend om haar fruit, de productie van Pisco – een Chileens (en Peruaans) drankje – en de helderste nachten van het zuidelijk halfrond. De droogtes in het landschap worden soms dus afgewisseld door grote wijngaarden of sinsaasappelbomen.

het feestvarken

in de Valle del Elqui

We eindigen op een prachtige boerencamping met uitzicht op de bergen. Ook op deze camping zijn we weer de enigen. Een landarbeider die we onderweg op het doodlopende pad naar de camping passeren komt na een minuut of tien het toegangshek voor ons openmaken en weer een kwartiertje later volgt de eigenaar; een oude baas met een verweerde kop. Hij ziet er uit als een boer die goed geboerd heeft. Terwijl Charlotte een extra lekker diner in elkaar bouwt voor Dick z’n cumpleaños, stookt hij voor ons een houtvuur op onder een grote waterketel, zodat we straks lekker warm kunnen douchen. Na deze goddelijke douche genieten we van weer een lekker flesje wijn – misschien niet zo’n hele goede gewoonte; een fles wijn per dag met 0 lichaamsbeweging, dit gaat echt de verkeerde kant op! – en onder een indrukwekkende sterrenhemel brengt Dick Charlotte de fijne kneepjes van het schaakspel bij.

een hele ketel vol met warm douchewater

14 oktober

We hebben maar een heel kort ritje te gaan van minder dan 50 kilometer, maar vanwege het slechte en zeer steile wegdek en de stops die we maken, zijn we toch 3 uur onderweg naar Vicuna. Ook deze rit is weer genieten geblazen. We doen uitgebreid boodschappen bij een échte supermarkt en installeren ons daarna op de camping van het stadje. Met een Frans meisje dat ook op ons veld staat doen we ’s avonds nog een paar drankjes in het stadje en rond elf uur bezoeken we Observatorio Mamalluca, een sterrenwacht in de bergen bij Vicuna.

oasestadje Vicuna

Om sterren te kijken moet het zo donker mogelijk zijn, dus in de wijde omtrek van de sterrenwacht is er geen lichtje te bekennen. De enige verlichting die er is, zijn kleine gekleurde led(?)lampjes, zodat je je nek niet breekt als je er rondloopt . We horen dat we een uitstekende dag hebben uitgekozen om sterren te komen kijken, want het is nieuwe maan. Geen maan dus. Wanneer de maan er wel is zorgt deze voor een flinke bak licht, die het zicht op de sterren belemmert.

Observatorio Mamalluca

De toer start in één van de gebouwen met een koepelvormig dak dat 360 graden rond kan draaien en waar een enorme telescoop in opgesteld staat. De gids geeft ons bergen met informatie over de sterren die we zien, de melkweg (die er met het blote oog uitziet als een flard lichte bewolking en ongeveer 400 miljard sterren bevat) en het heelal (dat weer talloze sterrenstelsels bevat) en al snel duizelt het ons van alle indrukwekkende getallen die we horen. Als we ons proberen voor te stellen hoe groot het heelal is en dat het ook nog eens groeit worden we bijna gek, dus daar stoppen we maar snel mee.

We leren de verschillende sterrenbeelden in de lucht te herkennen, die de gids met een sterke laserstraal in de lucht aan ons aanwijst en met behulp van een informatief filmpje leren we navigeren op de sterren op het zuidelijk halfrond. Daar gaat het anders dan op het noordelijk halfrond waar je gebruik kunt maken van de poolster. Rond een uur of twee ’s nachts stappen we tot op het bot verkleumd ons bedje in en helaas krijgen we het de rest van de nacht ook niet warm meer. Pas als ’s ochtends de zon op de auto staat warmen we weer een beetje op. Daags erna houden we een zondags dagje. Charlotte doet de was, we lezen wat en steken aan het einde van de middag gezellig de barbecue aan. Zo koud als het ’s nachts is, zo heerlijk is het overdag. We beginnen echt richting woestijnklimaat te komen, merken we wel.

geen idee waarom die Chilenen ons steeds uitlachen

16 oktober

Wat een rit had moeten zijn van 60 kilometer naar Coquimbo/La Serena, eindigt in de plaats Vallenar, een heel eind (322 kilometer) verderop. Eenmaal aangekomen in La Serena blijkt niet één van de in onze reisgids aangegeven campings (oké, het is er wel eentje uit 2007) nog te bestaan. Overal zijn hotels, appartementen en vooral cabana’s gebouwd. Leuk natuurlijk, maar dat past nu even niet in ons budget. We rijden er tig rondjes (sommige stukken zien we echt voor de 7e keer) en aan het einde van het liedje besluiten we maar door te rijden naar een volgende plaats, waar volgens onze campinggids (jaargang 2012) een camping zou moeten zitten. Tegen beter weten in nemen we in de buurt van Vallenar toch maar weer eens de tomtom in gebruik. Hij zal toch wel iets herkennen? Al bij de afslag op  de snelweg gaat het mis. Waar met koeienletters ‘afslag Vallenar’ staat stuurt de tomtom ons verder rechtdoor. Dick volgt de aanwijzingen om er – samen met de tomtom –  al heel snel achter te komen dat we er toch echt hadden af gemoeten bij dat grote bord. Ook in Vallenar is het weer niks. De Belgische stem stuurt ons linksaf, daar waar een enorme rotswand staat, stuurt ons de spoorrails OP, stuurt ons as usual allerlei straten in waar je helemaal niet in mag en herkent uiteraard het adres van de plaats van bestemming ook helemaal niet. Echt om een punthoofd van te krijgen! De zon zakt aardig rap en over een uur of anderhalf is het pikkedonker en we moeten ook nog koken. In ons beste Spaans vragen we de weg (een keer of tien) en iedere keer komen we een beetje dichter bij de plaats van bestemming. Uiteindelijk is het nog best ver rijden naar de camping, maar een van de laatste personen die we spreken zegt dat de camping erg ‘linda’  is, wat mooi betekent in het Spaans. Wij zijn het daar toch niet zo mee eens. De zanderige plekjes van de camping zijn allleen maar ingesteld op tentjes, zodat wij met de auto niet verder komen dan de parkeerplaats. Daar mogen we voor 20 dollar per nacht wel staan, naast het gammele toiletgebouw. Nou…. nee! Dan zal dit onze eerste wildkampeerervaring gaan worden…

eerste keer wildkamperen, stuwdam Santa Juana

Een kilometer of vijf verder parkeren we de wagen op een veilige plek bij de Santa Juana stuwdam en daar brengen we een heerlijk rustige (en gratis!) nacht door. Tomtom kan nog een gepeperd mailtje van ons verwachten…

17 oktober

kamperen in Llanos de Challe

Na het ontbijt kachelen we gauw door naar Parque Nacional Llanos de Challe. Een mooi natuurpark met een bijzondere ligging aan zee. Hoe het precies zit weten we niet, maar als gevolg van de ligging is in het park eens in de zoveel jaar de ‘desierto florido’ te zien. Heel het woestijngebied achter de bergen staat dan in bloei. Volgens de folder zou dat moeten gebeuren precies in de periode dat wij er zijn, maar van de Park ranger begrijpen we uit zijn vlotte Spaans toch dat het niet de juiste periode is. Het gebeurt alleen als gevolg van El Niño. De camping is geweldig. Dit is kamperen met een hoofdletter K! Vóór je een wijds uitzicht op de woeste zee met haar rotskust, achter je de benevelde bergen van het Parque Nacional en overal om je heen brutale vogeltjes, die zelfs IN de auto kijken wat er te snaaien valt. We kamperen bij wat lijkt op een grote berg reusachtige kiezels en voelen ons net de Flintstones.

zorro culpeo

De volgende dag gaan we er met de auto op uit en rijden naar een punt middenin het Park, van waaruit we een wandeling maken. De wandeling valt een beetje tegen, omdat we al lopende niet veel anders zien dan wanneer we er met de auto rijden. Desondanks is de tocht geslaagd, want onderweg zien we vanuit de auto een prachtige vos de weg oversteken. Volgens ons boekje een zorro culpeo op strooptocht. Bij terugkomst op de camping zien we dat we niet meer de enige kampeerders zijn. We hebben gezelschap gekregen van een Zwitsers echtpaar van boven de 50 en het zijn… fietsers! Charlotte komt de vrouw (Rita) tegen bij het toiletgebouwtje en nodigt haar uit voor een drankje. Na het eten willen ze wel even komen.

guanaco (?)

Parque Nacional Llanos de Challe

Als wij bijna klaar zijn met wederom een luxe driegangen campingmaaltje komen de Zwiters aangewandeld. We hebben honderduizend vragen voor ze en onze bewondering voor hun prestaties groeit met de minuut. Fietsen in Zuid-Oost Azië is namelijk echt appeltje eitje in vergelijking met fietsen in de woestijnen en de hooggebergtes van Chili en Argentinië, zoals Rita en Werner doen. Waar wij bijna overal op onze reis gemakkelijk een hotelletje met een ‘zacht’ bed en stromend (warm) water konden vinden, zetten zij iedere dag hun tentje ergens op. Wildkamperen, dus geen warme douche en daarna ook niet lekker het dorpje/stadje in voor een uitgebreide rijsttafel. Als we vragen op wat voor brandstof ze koken, kunnen we het antwoord bijna niet geloven. Ze koken niet, want om te koken heb je veel water nodig en dat kunnen ze maar beperkt meenemen. Ze moeten vanwege de grote afstanden in dunbevolkte gebieden steeds voorbereid zijn op maximaal 3 dagen zonder de mogelijkheid om water te kopen. Omdat ze geen 12 liter de man weg willen trappen (ieder van hen had een karretje achter de fiets hangen) gebruiken ze slechts 2,5 liter per persoon per dag. Die 2,5 liter is om te drinken, maar ook om zich te wassen, af te wassen etc.! Hun avondeten vandaag was een peer met een tomaat en brood en de volgende dag zouden ze mosseltjes uit blik (weer eens wat anders dan tonijn) met brood eten. Unbelievable!!! Heel veel respect voor zo’n spartaanse manier van reizen (dan hebben we het nog niet eens over de kou, de harde tegenwind en het rijden boven de 4000/5000 meter hoogte), maar voor ons zou de lol er op deze manier wel een beetje af zijn. Zeker als de beloning (die wij altijd vonden in een smaakvolle verse maaltijd en een lekkere douche) er zelden zijn. Dit kan toch ook niet gezond zijn? We stonden er op dat ze de reep chocolade die we serveerden bij de koffie (drinken ze onderweg dus ook niet) helemaal opaten 🙂

Zwitserse fietsers in Llanos de Challe

18 oktober

Met een motto dat luidt: ik sta pas op als de zon schijnt kan het soms lang duren aan de kust van Noord-Chili voor je je bed uitrolt, dus toen we zagen dat onze Zwitserse bikkels ondanks de miezer al heel hun hebben en houden hadden ingepakt, werd het toch wel tijd om er uit te komen. Na het afscheid en het ontbijt (ons ontbijt alleen al bevat meer calorieën dan al hun maaltijden op een dag tezamen, maar nu echt genoeg daarover) maken we nog een informatieve, door de rangers uitgezette hike in de bergen en gaan er dan vandoor.

bloeiende cacti

We rijden naar het plaatsje Bahia Inglesa, ook weer aan de kust. Onderweg maken we in Copiapo een pittstop om op een pompstation een warme douche te nemen en boodschappen te doen, zodat we op de camping meteen kunnen gaan koken. We twijfelen of we überhaupt wel op een camping moeten gaan staan. Het verschil in Chili tussen wildkamperen en een camping is regelmatig alleen het geld dat je voor de laatste betaalt. Je staat altijd op zand (als je een beetje pech hebt tussen de hondendrollen), hebt nooit water op je plek en zelden electriciteit, en het sanitair met koude douches staat meestal op instorten en is vies.

tres windy vandaag

Toch kiezen we voor een camping. Het waait zo verschrikkelijk hard dat we zeker weten dat we de barbecue en het brandertje op het open strand niet aan het branden krijgen. Zelfs op de camping met wat beschutting is het nog lastig. De groentes waaien van de snijplank af, zo hard waait het. Als we de zon achter de horizon hebben zien verdwijnen duiken we direct daarna de koffer(bak) 😉 in.

20 oktober

Verder naar het noorden. Onderweg wordt het landschap steeds grimmiger en indrukwekkender. Je waant je veilig in het koekblik waarin je rijdt, maar o wee als je daar buiten komt. Om je heen is alleen maar stof, bergen van zand en rotsen en de weg voor je. Geen bomen en struiken, geen bebouwing, slechts af en toe een vogel en de kruizen langs de kant van de weg ter nagedachtenis aan omgekomen chauffeurs en mijnwerkers. Wat een woestenij!

camping in Pan de Azucar

Isla Pan de Azucar

Na de middag naderen we het volgende Parque Nacional dat we zullen bezoeken: Pan de Azucar. De weg draait van de ene naar de andere baai en brengt ons naar een hele grote baai waar de Conaf (parkrangers) en een paar campings zijn gevestigd. We settelen ons op de drukste camping (die met nog 2 stelletjes) die ook de beste voorzieningen lijkt te hebben. Onze camping ligt pal tegenover het Isla Pan de Azucar, waar zeeleeuwen en pinguïns zouden moeten zitten. Maar hoe we ook speuren met ons verrekijkertje, meer dan ‘bewegende rotsen’ (“ja! Daar zit er eentje! Onee, toch niet…”) zien we niet.

de benen van Charlotte

wandelen in Pan de Azucar

We vinden het super leuk om voor het eerst tijdens onze reis andere overlanders (want zo heten wij tegenwoordig officieel 🙂 ) tegen te komen. Eerst een bejaard Nederlands echtpaar dat al jaren in campers de wereld over reist en de volgende dag Alex en Masha, uit Duitsland respectievelijk Rusland, die net als wij in een tot mini-camper omgebouwde Toyota Landcruiser (wij 4Runner) rondkarren. Twee jaar geleden zijn ze in The States gestart om nu door Zuid-Amerika rond te trekken, op zoek naar goede locaties om te golfsurfen. Van dit laatste stel krijgen we tal van goede adresjes en tips over reizen in Boliva. We kunnen ook hun wegenkaart van Boliva overnemen waar we heel blij mee mogen zijn, want in tegenstelling tot wat wij dachten is daar in Bolivia niet aan te komen. In de middag maken we een wandeling van een paar uur door de woestijn en lopen we langs de kust weer terug naar de camping, waar het vervolgens weer tijd is om te eten.

de campingvos

onderweg in Parque Nacional Pan de Azucar

22 oktober

Een rit van 394 kilometer brengt ons in Antofagasta. In de gids omschreven als ‘de parel van het noorden’, maar wij vinden er geen klap aan. Een camping vinden we er niet en omdat het een grote stad is willen we er ook niet wildkamperen. We checken daarom in in een goedkoop hostelletje en eten ’s avonds een hapje in de stad. De volgende dag snel door naar Calama, een tussenstop op onze route naar San Pedro de Atacama. Op de camping die we daar vinden zijn we weer de enige toeristen. De voorzieningen hier zijn wel wat beter. Er is warm water (eigenlijk is het kokend heet en als je er koud water bij wilt mengen stopt de warm water toevoer, maar toch..) en internet en zelfs een zwembad waar we aan kunnen liggen. Heel schattig: ter ere van ons bezoek hijst de campingeigenaar de Nederlandse vlag naast een groot exemplaar van de Chileense. Hij hangt eerst wel ondersteboven, maar het idee is super leuk. Hoeveel vlaggen zou die beste man in de kast hebben liggen?

zo moet ie ja

we zien de Andes!

24 oktober

Gauw door naar San Pedro. Het is nog maar een ritje van 114 kilometer naar het oasestadje in de woestijn. Het laatste stuk is een steile afdaling, waarbij we om ons heen de besneeuwde toppen van de Andes zien liggen, waaronder een groot aantal vulkanen. Erg indrukwekkend! We leren ook meteen hoe belangrijk het is om de auto handmatig terug te schakelen naar een lage versnelling zodat ‘ie meer afremt op de motor, want als je gewoon op de automaat blijft rijden moet er veel bijgeremd worden en dat vraagt nogal wat van de remmen ruiken we. In San Pedro checken we in op camping Los Perales. Een nogal shabby gebeuren dat meer lijkt op de achtertuin van een woonwagenkamp, compleet met afval in olievaten, schroot en honden en katten die overal tegenaan pissen. We zullen het eens aankijken voor een nachtje.

eu eu poesje, afblijven met je pusoog

San Pedro is een enorm belangrijke toeristische trekpleister in het noorden. Het complete centrum is ingesteld op toeristen, want in ieder pandje zit een reisbureau, restaurant of souvenirshop.  Het stadje leent zich uitstekend als uitvalsbasis om trips te maken naar het omliggende natuurschoon, wat de aanwezige toeristen dan ook en masse doen. Toch is het eigenlijk meer een dorp, want een echte supermarkt is er bijvoorbeeld niet. Wat zijn we stom geweest dat we in Calama niet even flink hebben geshopt, want nu moeten we onze boodschappen doen bij een van de vele mini-markets met hun beperkte assortimentjes tegen aanzienlijk hogere prijzen. Nouja, no problema.

Onze eerste nacht op de camping bevalt prima. Wat het vooral zo leuk maakt is dat er een ‘keukentje’ is (een golfplaten hokje met een koelkast, een gasfornuis en een campingtafel met daaroverheen een morsig douchegordijn als tafelkleed) dat functioneert als de centrale onmoetingsplek.  Het doet een beetje denken aan een studentenhuis, heel gezellig. Op de camping staat een Engels stel dat al 2,5 jaar met een zelfgebouwde Jeep met daktent over de wereld trekt. Zij zijn in San Pedro gestrand omdat ze wachten op onderdelen voor hun kapotte auto. Een ander Brits stel van onze leeftijd rijdt al 1,5 jaar met een gigantische lichtblauwe tot camper omgebouwde vrachtwagen door Noord- en Zuid-Amerika. Erg leuk gezelschap en wat steken we veel op van de verhalen van deze mensen! We blijven hier voorlopig toch maar lekker rondhangen. Er is genoeg te zien en te doen en bovendien hebben we nog geen nieuws vanuit Santiago, waaruit we kunnen concluderen dat de eigendomspapieren van de auto nog steeds niet binnen zijn.

charming, midden op straat in San Pedro

Uiteindelijk blijven we zes nachten staan op de camping. We brengen veel tijd door op de camping met… ja, met wat eigenlijk? Voor je het weet is er weer een dag voorbij en vraag je je af wat je nou eigenlijk gedaan hebt. Volgens de andere overlanders een bekend fenomeen.

De campingeigenaar (hij doet ons erg denken aan André Hazes, met zijn stevige postuur, bakkebaarden en hoed) zien we iedere dag wel een keer voorbij lopen waarbij hij iets vrolijks naar ons roept wat we niet verstaan. Zijn broer/neef/zoon/huisgenoot is meer het type kampsjaak met een krullende mat in zijn nek waar menig zigeuner jaloers op zou zijn. Hij lijkt verantwoordelijk voor de ‘administratie’. Uiteraard hebben we netjes betaald voor iedere nacht van ons verblijf, maar we hebben het vermoeden dat we met drie betalingen ook waren weggekomen. De schoonmaker van het sanitair annex kunstschilder woont in een tentje op de camping en knarst om de twee seconden zo hard met zijn tanden dat je het op een afstand van twintig meter (niet overdreven!) kunt horen. Het is een zonderling figuur dat er ook een handje van heeft om regelmatig de deur van de gezamenlijke koelkast open te trekken om het assortiment van de dag te bekijken. Als Charlotte hem ziet drinken uit onze fles bronwater is het de laatste keer dat de we onze spullen in de koelkast gezet hebben. Wat een wanorde en wat een mooie figuren.

te voet naar Valle de la Luna

Gelukkig gaan we er ook wel op uit. De eerste keer maken we een wandeling die in onze gids op zeer summiere wijze beschreven staat. We zouden een uitzichtspunt moeten bereiken van waar we over de Valle de la Luna uitkijken, maar dat halen we niet. Wandelen door mul zand in de fikkende zon valt ook best tegen en bij thuiskomst weten we niet hoe snel we moeten checken hoe hoog San Pedro eigenlijk ligt. Toch al op 2500 meter blijkt, dus dat verklaart onze kortademigheid die gelukkig dus niets te maken heeft met onze achteruithollende conditie 🙂

gangenstelsel als gevolg van erosie

amfitheater, Valle de la Luna

De tweede onderneming slaagt al beter. We rijden met de auto naar de Valle de la Luna (Vallei van de maan) op de dag dat de vader van Charlotte zijn nieuwe hondje ‘Luna’ krijgt. Hoe toevallig hè? We arriveren er aan het eind

zandduin Valle de la Luna

van de middag omdat het licht dan het mooiste is en de zonsondergang er helemaal fenomenaal schijnt te zijn. In de vallei zijn verschilllende plekken die de moeite waard zijn om te stoppen voor een nader kijkje. We stoppen eerst op een plek waar je een – op sommige momenten benauwde – wandeling kunt maken onder een rotsmassief door. Jarenlange erosie door water en wind hebben ervoor gezorgd dat er onder de rotsen een soepel welvende gang is  ontstaan waar je je in het pikkedonker een weg doorheen kunt banen. Erg indrukwekkend, maar je moet wel tegen donkere krappe ruimtes kunnen!

Tres Marias

De Tres Marias aan het einde van het Park zijn drie – wederom door erosie ontstane – ‘beelden’ die in het gelovige Chili dus de drie Maria’s worden genoemd. In China zouden ze vast en zeker de drie draken heten en in Thailand de drie boeddha’s of iets dergelijks, oftewel: het leek nergens op maar het is wel bijzonder hoe zoiets door louter natuurlijke invloeden kan ontstaan.

De Valle de la Luna dankt haar naam aan het sterk op de maan lijkende landschap en is één van de droogste plekken op aarde. Op sommige plekken is in de afgelopen eeuwen geen drupje regen gevallen en grote delen van de vallei zijn bedekt met zout, wat het geheel een aanblik geeft of er een laagje poedersuiker overheen ligt. Levende wezens zijn er niet, afgezien van de hordes toeristen die er dagelijks een kijkje komen nemen natuurlijk.

Valle de la Luna

Valle de la Luna II

Leuk weetje: in 2004 heeft NASA een prototype van de Mars rover, het wagentje dat gebruikt zou worden voor een expeditie naar de rode planeet,  getest in de Maanvallei omdat het landschap nergens ter wereld zo overeenkomt met dat op de maan en op Mars.

Valle de la Luna III

Valle de la Luna IV

De laatste uren in het licht wandelen we over een bergkam, van waaruit we een perfect uizicht hebben over een enorme zandduin (zoals je ze verwacht in ‘de woestijn’!), een rotspartij die het amfitheater wordt genoemd en de mooie bergen die ons omringen. Het is een genot om de tijd uit te zitten tot aan de zonsondergang, die op zichzelf juist een beetje tegenvalt vergeleken met al het moois dat we hebben gezien.

Valle de la Luna VI

Valle de la Luna V

De derde en laatste trip die we ondernemen vanuit San Pedro gaat naar de Laguna Cejar. We boeken een toertje, omdat het volgens onze reisgids onverantwoord is om er met eigen vervoer heen te gaan vanwege alle tracks die er lopen, waardoor je gemakkelijk zou kunnen verdwalen. Ook dit blijkt verouderde informatie, want je kunt de knaloranje bordjes die bij iedere afslag staan haast onmogelijk missen en anders kun je wel achter de rest van de toerbusjes aanrijden! Jammer van het geld dat we hiervoor betaald hebben; gelukkig is het inclusief drank en hapjes 🙂

Laguna de Cejar

De Laguna is een diep meer in de Salar de Atacama waarvan het water 40% zout bevat. Als je erin zwemt blijf je dus heel gemakkelijk drijven, net als in de Dode Zee. Omdat we pas op het aller- allerlaatste moment besloten hadden dat we dit toertje zouden gaan doen (bij Charlotte was het aan het begin van de middag plotseling in haar onderrug geschoten en we wilden even afwachten hoe het later zou gaan) hadden we geen zwemkleding aangetrokken. Nu konden we dus alleen maar kijken hoe anderen in het ijskoude water ronddobberden. Gelukkig komen we in Bolivia ook nog wel zoutmeren tegen – waarschijnlijk wel nóg kouder dan hier – dus onze kans op zo’n ervaring komt nog wel.

respect voor pachamama

Salar de Atacama

Na het zoutmeer rijden we in een half uurtje verder naar de Ojos del Salar, twee enorme op kraterinslagen lijkende gaten in de woestijn die vooral vanuit de lucht (een helicopter dus) een spectaculair aanzicht geven. Omdat we geen helicopter bij de hand hadden bleef het bij twee grote gaten in de grond, gevuld met zoet water. Alle bikkels die het zout van zich af wilden spoelen maken een duik en na een half uurtje gaan we door naar de laatste bestemming van de tour, de Laguna Tebinquinche. Bij dit meer, dat uitkijkt op het hooggebergte met onder meer de bijna zes kilometer hoge vulkaan ‘Licancabur’, was het een prachtig gezicht omdat achter ons de zon naar de horizon zakte en haar mooie avondlicht over het meer en de bergen uitwaaierde. Net op het moment dat het licht op z’n allermooist was zagen we onze bus vertrekken. Het zal waarschijnlijk een geintje van de gids zijn geweest, want twee lege plekken in een volle bus kun je niet makkelijk over het hoofd zien, maar we vonden het jammer dat we moesten gaan. Op zulke momenten realiseer  je je wel hoe fijn het is om met eigen vervoer te reizen en altijd eigen baas te zijn. Gaaf om te zien – al was het dan vanuit de bus – was vervolgens de maansopkomst, pal tegenover de zon. Keek je naar rechts, dan zag je de volle maan en keek je naar links dan zag je de laatste gloed van de zon achter de bergen zakken.

 

Laguna Tebinquinche

Laguna Tebinquinche II

Op onze laatste dag in San Pedro brengen we heel de ochtend door met een stel Amerikanen en een Zuid-Afrikaan die met z’n drieën al anderhalf jaar onderweg zijn in een…. Toyota 4runner! Dick krijgt een aantal goede onderhoudstips voor de auto en ze doen ons twee jerrycans cadeau, plus een heel pakket met routekaarten, adressen e.d. voor Bolivia. Colombia staat van de zestien landen waar ze tot nu toe met hun auto doorheen zijn gereisd met stip op nummer één, dus ook daar zijn we reuze benieuwd naar, ook al gaan we daar straks backpackend doorheen trekken.

Laguna Tebinquinche IV

Laguna Tebinquinche III

Laat in de middag vertrekken we vanuit San Pedro in de richting van de El Tatio geisers. Omdat dit natuurfenomeen op 4300 meter hoogte ligt lijkt het ons verstandig om ergens rond de 3500 meter de nacht door te brengen, zodat we kunnen acclimatiseren en de kans op hoogteziekte het kleinst is. Bijkomend voordeel van weer eens wildkamperen is dat we mooi het geld van een overnachting uitsparen. We hebben in San Pedro de achterstand in de financiën bijgewerkt en zijn best wel geschrokken van onze uitgaven van de de afgelopen paar maanden, dus wanneer we kunnen zullen we moeten beknibbelen.

Atacamawoestijn

Omdat we geen hoogtemeter hebben schatten we aan de hand van een plaatstje dat we naderen de hoogte waarop we ons bevinden en parkeren we de wagen op een mooi en veilig plekje. Als we de klapstoelen en een fles wijn uitladen om nog lekker een uurtje te genieten van de laatste zonnestralen over de bergen, merkt Dick dat het matras nat is. De waterton met tapwater die we bij ons hebben ligt tijdens het rijden altijd op het matras. Dat is tot nog toe altijd goed gegaan maar blijkbaar is ‘ie nu lek… We zetten het matras rechtop tegen de auto en laten het in de laatste zonnestralen droogwapperen in de wind, samen met de andere spullen die nat zijn geworden (zoals de slaapzak van Charlotte). We moeten alles echt zo droog mogelijk zien te krijgen, want op deze hoogte is het ’s nachts zeker een paar graden onder 0 en als je dan ook nog op een klam matras ligt… Gelukkig hebben we het plastic dat bij de aanschaf om het matras heen zat bewaard en kunnenwe dat er omheen doen, zodat het nog aanwezige vocht niet rechtstreeks door het hoeslaken en onze slaapzakken heen trekt.

ja die muts was nodig

Tegen de tijd dat de zon onder gaat zit alles weer in de auto en stappen wij ons bed in. Het is pas acht uur, maar om vier uur vannacht zal de wekker gaan, dus nog even lezen en dan lekker slapen. Tegen elf uur schrikken we wakker van een geluid. Huh, is het nu al vier uur ‘s ochtends? Het lijkt wel een sirene! En we zien ook een zwaailicht… We hebben politie op bezoek. Er wordt geïnformeerd wat we hier aan het doen zijn en op het antwoord dat we hier overnachten om morgen vroeg naar de El Tatio Geisers te kunnen gaan wordt goedkeurend gebromd. Weg zijn ze weer, ons achterlatend met koude voeten in onze klamme slaapzakken…

We hebben een redelijk nachtje achter de rug en na het ontbijt vertrekken we rond kwart voor vijf naar de geisers. Het is nog zo’n 75 kilometer rijden en van andere overlanders die er geweest zijn hoorden we dat de weg prima is, op de laatste vijftien kilometer na. Dat blijkt, want gehutst en geklutst komen we om goed zes uur aan. Het is nog steeds donker als we het parkeerterrein bij de geisers op komen en we zien dat we de allereerste bezoekers zijn. Vet!! Dat geeft ons de gelegenheid om bij de grootste geiser, die net een beetje op gang begint te komen, ‘fotokes te trekken’ zonder andere toeristen erop. Sowieso is het een mysterieus gezicht om in de startende ochtendschemer al die stoomwolken links en rechts uit de grond te zien komen.

El Tatio Geisers

ochtendlicht El Tatio Geisers II

ochtendlicht El Tatio geisers

 

 

 

 

 

Met meer dan tachtig actieve geisers is El Tatio een van de grootste geothermische gebieden van de wereld. De uitbarstingen van de geisers zijn niet spectaculair in hoogte, maar hun stoomkolommen komen wel meters hoog en het is gewoon prachtig om al die stoomwolken in de ijskoude ochtendlucht omhoog te zien spuiten! Kijk maar naar de foto’s..

 

El Tatio geisers (zwart wit II)

 

El Tatio geisers (zwart wit)

Terug bij de auto ontdekken we dat er een groen ijspegeltje onder de motorkap hangt. Het is koelvloeistof die uit het reservoir gelekt is. Heel gebruikelijk op deze hoogte, horen we van een gids. Heeft te maken met het verschil in druk. Op zijn aanraden gooien we er wat water bij en als we het in de gaten houden kan er weinig mis gaan. Als we uitgekeken en –gegeten zijn (de toertjes zijn inclusief ‘ontbijt’ en we zien links en rechts toeristen jaloers naar onze boterhammetjes met kaas en jam kijken terwijl ze knabbelen van hun thee met koekjes of chips (!)), gaan we weer op pad. We gaan weer terug naar de kust, maar niet in één keer, we maken een pittstop in Calama omdat het anders een te grote afstand is. In Calama logeren we weer op de camping waar de Nederlandse vlag gehesen wordt en hebben we nog de hele middag om te chillen bij het zwembad en weer eens gebruik te maken van goed internet.

Een dag later, als we een goede automonteur op willen zoeken, horen we van de campingeigenaar dat alles gesloten is in verband met Allerheiligen, een gedenkdag die in Nederland in de vergetelheid is geraakt, maar waar in Latijns Amerika nog volop bij stil wordt gestaan. Hij belt met de garagehouder en hoort dat deze een dag later wel geopend zal zijn. Nóg een dag campinghangen wordt ons bijna teveel dus we zijn blij als we op 2 november op tijd richting de garage kunnen. “Wacht even”, zegt de campingeigenaar, “ik zal voor de zekerheid nog eens bellen”. Nee, de garage is nog steeds dicht maar gaat waarschijnlijk om een uur of drie vanmiddag wel open. Pfff… als we daar nog op moeten wachten… We rijden toch maar rustig aan verder naar de kust en zetten tegen het einde van de middag ons kamp op op een afgelegen stukje strand. Van daaruit is het de volgende dag niet ver meer naar Iquique waar het Grote Wachten op de autopapieren zal voortgaan…

3 november

De kustroute die we vanochtend rijden naar de noordelijke stad Iquique bestaat nog niet heel lang en is erg de moeite waard. Muziekje erbij, raampje open, lekker hoor, zo toeren langs al die rotsbaaien! Als snel arriveren we op onze bestemming: Altazor, een vliegpark voor paragliders. Er zit ook een camping en hostel bij (gesitueerd in twee lagen op elkaar gestapelde zeecontainers) die ons aanbevolen zijn door Alex, de surfdude die we in Pan de Azucar tegenkwamen. Het blijkt erg druk in verband met een wedstrijd, zodat ons plan om weer eens een nachtje in een echt bed te slapen niet doorgaat, althans niet voor de eerste nacht. De camping is trouwens ook prima, met uitstekende faciliteiten (gezamenijke keuken, koelkasten, overal wifi, wasmachine etc.). Als we informeren hoe duur het is om een tandemvlucht te maken valt de prijs ons alleszins mee, namelijk 70 dollar. Aangezien we hier voorlopig nog wel even vastzitten (we hopen maandag meer te horen over de autopapieren) reserveren we een plaatsje voor dinsdagochtend. Echt een buitenkans, iets waar we nog nooit eerder over nagedacht hebben!

Het is erg leuk om omringd te zijn door paragliders uit heel de wereld en met name uit Europa. Het is van alles wat: jong en oud, vriendengroepen en soloreizigers en ook aardig wat mensen die het ‘erbij’ doen. Zo staat naast ons op de camping een Duits stel dat op onderdelen uit Europa wacht, voor hun Volkswagenbus. Beginnende paragliders die hun eigen ‘wing’ bij zich hebben, maar ze hebben ook twee golfsurfplanken, twee windsurfplanken en – zeilen, twee kano’s en twee fietsen bij zich. Hoezo sportief!? Van hen krijgen we wat tips over (surfen in) Brazilië, een land dat niet veel mensen met de auto lijken te bezoeken. Ook ontmoeten we (weer) twee Zwitserse fietsers die al een paar jaar over de wereld zwerven en erg veel op hoogte hebben gefietst. Hun stijl is anders dan van de fietsers die we in Llanos de Challe ontmoetten. Net als wij eten zij wél zoveel als ze kunnen, om hun lichamen te voorzien van de noodzakelijke brandstof en drinken ze liters op een dag.

5 november

Heel de (maan)dag wachten we in spanning op nieuws uit Santiago, maar als ’s avonds het verlossende antwoord van Ferry komt zijn we jammergenoeg nog niet veel wijzer. Zijn telefoontje namens ons met de gemeente heeft hem niet veel opgeleverd en hij belooft ons er de volgende ochtend persoonlijk langs te zullen gaan voor inlichtingen.

6 november

Vandaag is D-day: we gaan paragliden én we weten hopelijk of we ooit nog het land uit komen met de auto! Om tien uur vertrekken we op de vliegschool en worden gedropt op de take off plaats, op een berg die uitkijkt over de stad, ongeveer een halve kilomter boven zeeniveau. Onderweg krijgen we instructies van Jussi, de Finse piloot van Charlotte. Dick zal zijn piloot terplekke ontmoeten. Op de take off is het al een drukte van jewelste. In Iquique zijn de weersomstandigheden eigenlijk het hele jaar door goed voor paragliden, maar vooral in de ochtend en zeker in de maand november is het weer er perfect voor. We worden in een pak gehesen, krijgen een helm op en met het harnas aan krijgen we de laatste instructies over de start. Het stelt eigenlijk helemaal niet zoveel voor, want voor je het weet pikt de wind je op, krijg je het signaal dat je in je stoeltje mag gaan zitten en vlieg je super ontspannen (echt waar) en zo vrij als een vogel door de lucht! Het is een heerlijk gevoel en geen seconde eng, maar eerder vredig. De piloten gebruiken meetapparatuur en hun ervaring om van de ene thermische wind naar de volgende te gaan. Zonder deze warme lucht zak je vrij snel, maar de thermiek is in staat om je met een paar soepele bochten weer honderden meters de lucht in te trekken. Een goede aanwijzing voor de aanwezigheid van thermische winden zijn de vogels die je in de lucht ziet cirkelen, zonder hun vleugels te bewegen. Zij maken gebruik van dezelfde warme lucht als parapenters.

GE-WEL-DIG!

Na een half uurtje boven Iquique en de zandduinen gevlogen te hebben gaan we richting strand. Dick staat al aan de grond als Charlotte en haar piloot nog wat manoeuvres doen boven de branding van de zee. Voor Charlotte het hoogtepunt van de vlucht; scherpe bocht naar links, naar rechts, links, rechts en daarna in een spiraal omlaag. Kicken!!

 

Nog een keer!!!

Terug op het vliegpark lezen we in onze mail goed nieuws uit Santiago: de eigendomspapieren zijn op 25 oktober bij de gemeente de deur uitgegaan, dus één dezer dagen moeten ze binnenkomen bij het hotel van Ferry, 4 straten verderop. Dat wordt weleens tijd ja, het is alweer twaalf dagen later! We zijn super blij omdat we vreesden dat er een probleem zou zijn met de stukken. Als we een uurtje later wéér bericht krijgen van Ferry met de boodschap dat de papieren nu zelfs ‘al’ zijn aangekomen in het hotel kan onze dag niet meer stuk! Ferry zal ze vandaag nog met Chile Express verzenden, dus over een paar dagen kunnen we de grens over, op naar Bolivia!!

Mijn locatie .

Weer terug op de radar!

Poeh, lang geleden zeg, dat we een bericht geplaatst hebben. Ruim een maand alweer, toen we nog in Beijing zaten. Het werd dus weer wel eens tijd voor een verhaaltje en het was alweer een beetje spitten in ons geheugen om de herinneringen aan de afgelopen weken op te halen. Alles volgt elkaar nu ook zo snel op! We pakken de draad op waar we gebleven waren en gaan er dan (als het lukt 🙂 in sneltreinvaart doorheen. Welkom op onze ‘nieuwe’ blog!

– NB: klik op een foto om ‘m te vergroten –

Nog even terug naar China, want het had niet veel gescheeld of we waren nooit op 3 september in Nederland aangekomen. Zo nonchalant en rommelig als de Chinezen met heel veel dingen zijn (in het verkeer en met het schoonhouden van hun huizen/winkels/restaurants bijvoorbeeld), zo secuur zijn ze als het aankomt op bepaalde bureaucratische regels. Met de aanvraag van ons visum hadden we daar al een sterk staaltje van gezien, maar bij vertrek op Beijing Airport waren we daar nog eens getuigen van. Ondanks het feit dat we 3,5 uur voor vertrek aanwezig zijn op de luchthaven, redden we ons vliegtuig namelijk maar op een haartje…

Chinees gedoe op Beijing Airport

Het grondpersoneel doet nog maar een béétje moeilijk over onze fietsen (die we ditmaal niet in een doos maar in een fietshoes hebben zitten), maar bij de security check wordt het pas echt lastig. De fietsen zijn te groot voor het maken van een goede scan bij de oversized luggage en na een hoop gesteggel tussen het grondpersoneel van Emirates en de beveiligingsbeambten moeten we twee beveiligingsdames volgen, diep de gewelven van de luchthaven in. Na tien minuten kriskras lopen door lange halfverlichte gangen en in uit grote dienstliften, komen we uit in een ruimte waar de serieuzeoversized luggage gescreend wordt. Behalve een hoop beveiligingspersoneel is er niemand. In deze ruimte brengen we zeker een half uur door, zonder dat ook maar iemand ons kan vertellen wat het probleem nou eigenlijk is en waar we op wachten. Er wordt veel getelefoneerd, zo veel is duidelijk. Hoeveel veiligheidsrisico kan een fiets nou met zich meebrengen? We ergeren ons dood maar houden ons kalm om maar niemand op z’n tenen te trappen. Zo langzamerhand beginnen we er wel rekening mee te houden dat we onze fietsen in China moeten achterlaten.

fietsen super netjes ingepakt

Ten langen leste wordt de medewerker van Emirates die ons moest vergezellen naar beneden, opgedragen ons terug te brengen naar de vertrekhal waar we begonnen zijn. Betekent dit nu dat de fietsen dan toch op het vliegtuig gezet worden? Niemand die het ons vertelt, dus daar moeten we dan maar op hopen! Hierna begint het gedonder pas echt, want de knul die ons moet begeleiden heeft geen flauw benul van waar we zijn. Tot 5 keer toe lopen we verkeerd en we raken steeds dieper verdwaald in het gangenstelsel onder het vliegveld. Alles lijkt op elkaar en voor de helft van de deuren moet je een speciale toegangspas hebben.Tot onze grote irritatie doet die kerel niets anders dan stom grinniken en al telefonerend om hulp vragen aan zijn collega’s boven, die vast ook nog nooit onderhet vliegveld zijn geweest.

bij de 'gewone' oversized luggage

Uiteindelijk dragen we hem op ons te volgen, terug naar de securitypost van de extra oversized luggage. Die weten wij namelijk wel te vinden. Onze gate is inmiddels al geopend en God weet hoe ver we nog moeten! Eenmaal terug bij de securitypost wil eerst niemand met ons mee. De jongen zal ons wel terugbrengen. “Nee! Dat kan hij niet!” De paniek begint nu echt een beetje toe te slaan. Ten slotte loopt er toch een dame van de bewaking een stukje met ons mee en staan we even later buiten op een parkeerplaats van Beijing Airport. Het is dan nog een takkeneind lopen, weer terug naar de vertrekhal. Nu moeten we onze gate nog zien te vinden op de op één na drukste luchthaven ter wereld. Een stuk lopen, vijf minuten met de monorail, dan door een eerste securitycheck, in de rij voor de douane waar we van de andere wachtende reizigers gelukkig voor mogen kruipen, oeps; we hebben nooit departure cards gekregen dus die moeten we ook nog invullen, shit geen pen bij de hand (wederom mensen in de rij die helpen), controle van handbagage (die bij ons allebei open moet omdat er rare dingen zoals fietstrappers in zitten), schoenen uit (wat zijn dat voor metalen plaatjes onder je zool?), uitgebreide fouilleringen en dan eindelijk echt op weg naar de gate. Onderweg worden we door het grondpersoneel van Emirates – waaronder de sukkel door wie we een half uur verloren hebben rondgelopen – aangespoord om op te schieten want het vliegtuig vertrekt bijna. Hurry up, hurry up!! Grrr…. zullen we het vliegtuig halen of zullen we die gast een kopje kleiner maken? Toch maar het eerste..

onderweg naar huis

Onze vlucht zelf verloopt uitstekend, al doen we van de opwinding geen oog dicht. We kijken er zo naar uit om onze ouders en zusjes weer te zien, die ons met z’n allen opwachten op Düsseldorf Airport. Het is heerlijk om na al die tijd iedereen weer te zien en vast te kunnen pakken en als we in de auto op weg naar ons eerste logeeradres (bij de ouders van Dick) zitten, lijkt het wel of we nooit zijn weggeweest.

 

Even thuis

De week in Nederland vliegt werkelijk om. Naast onze lieve familie en vrienden zien we ook Brammetje weer, die ons gelukkig nog niet (helemaal) vergeten was. Het is fijn om te merken dat het zo goed met ‘m gaat en dat ‘ie in zulke goede handen is bij catsitters Dion en Judith! Het is deze keer daarom niet zo moeilijk om weer afscheid te nemen. Dat in tegenstelling tot het tweede afscheid van de familie. Vooral Charlotte heeft het er moeilijk mee om zo snel na aankomst alweer weg te gaan. Een weekje is eigenijk gewoon veel te kort en het is ook lastig om uit te kijken naar iets moois, als je van de ene fijne situatie in de andere valt. Op de Antillen en in Zuid-Amerika staat ons weer allerlei leuks te wachten, maar de leuke dingen volgen elkaar gewoon even te snel op!

Op 11 september brengen de ouders van Dick ons naar de luchthaven (opnieuw Düsseldorf), waar ook Charlottes vader en Jeanne naartoe komen. Na wat kleine traantjes gaan we weer door de checks heen, op naar deel II van onze mooie reis, te beginnen op Curacao. Heel erg bedankt lieve mensen thuis, voor al jullie goede zorgen, de gezelligheid en de logeerpartijen. We hebben er van genoten!

Curacao

Willemstad

de beroemde gekleurde huisjes in Willemstad

Om een uur of 7 ’s avonds plaatselijke tijd komen we op Hato Airport aan, waar Sophie en Patrick ons staan op te wachten. Dat is nog eens een warm welkom! Zo leuk om hen weer te zien sinds de laatste keer dat we elkaar in Nederland zagen een paar jaar terug! Sophie en Patrick hebben voor de komende nachten een schitterend appartement aan het Spaanse Water geregeld en met de huurauto rijden we er heen. Het is er hartstikke mooi en heerlijk rustig en onder het genot van lekkere drankjes en hapjes kletsen we gezellig bij aan het water.

Pool view appartement Curacao

Curacao

De volgende twee dagen op Curacao krijgen we een grande tour over het eiland (waar S&P een aantal maanden gewoond hebben) en zien we Willemstad met z’n beroemde gekleurde huisjes aan de haven, prachtige fonkelblauwe baaien, slavenhuisjes, mooie uitzichtspunten en oja; Birgit Schuurman met man en kind. Ja Patrick, ze was het echt! 🙂

gezellig he?

Curacao

 

 

 

 

 

Bon Bini Bonaire

Donderdag 13 september hebben we aan het einde van de dag met z’n viertjes een vlucht naar Bonaire, waar S&P wonen. Typisch verschilletje met de conventies op een Chinese airport: een fles wijn die we in onze handbagage meenemen door de securitycheck, levert op Curacao geen enkel probleem op. Heerlijk, die relaxedheid op de Antillen!

Wild varkentje

Zoooo lief, kroelen met mama

Voor S&P zit hun minivakantie van 3 dagen er al weer op, zij moeten net voor het weekend op vrijdag nog één dag aan de bak. Dat geeft ons de gelegenheid om even rustig Kralendijk, het centrum(pje) van Bonaire – waar S&P aan de boulevard wonen – te verkennen en al snorkelend te genieten van de tropische vissen in het rif pal voor hun huis. Ook zo fijn: er is gewoon een Appie op het eiland, dus je hoeft aan de andere kant van de oceaan je vertrouwde puntpaprikaatjes , bruine boterhammen, oude kaas en hagelslag helemaal niet te misssen!

Sorobon beach, BonaireLunch Jibe City, BonaireLunch Jibe City, Bonaire

Warawara vogel

In het weekend krijgen we pas echt te zien wat het eiland allemaal te bieden heeft. Nadat Dick een potje getennist heeft met Patrick gaan we windsurfen in Lac Bay, een binnenbaai aan Sorobon met de perfecte omstandigheden om te surfen. Altijd wind, uiteraard zon en je staat in principe nooit dieper dan tot je middel in het pislauwe water. Voor Dick is het zo’n 20 jaar geleden dat hij voor het laatst op Aquabest op de plank heeft gestaan, maar alsof het gisteren was racet hij er vandoor. Charlotte heeft slechts één eerdere ervaring met een dagje surfen in het koude donkere water van het Grevelingenmeer, waar ze weinig goede herinneringen aan bewaart. Dan is dit toch een iets comfortabelere plek om de sport te leren. Het resultaat mag er wezen!

Bonaire, zuidkantAlvast oefenen voor straks

Na de surfles maken we nog een mooi rondje over de zuidkant van het eiland. We zien een enorme broedplaats voor flamingo’s, grote roze zoutmeren met op de kant witte piramides van zout en de kleine rode slavenhutjes waar in vroegere tijden de slaven overnachtten wanneer ze in de zoutpannen werkten. Karakteristiek zijn de divi-divibomen, die door de eeuwige passaatwind helemaal één kant op gegroeid zijn en dus horizontaal staan.

Sophieke bij slavenhuisjes, Bonaire

 

Roze zoutmeer en -bergen, Bonaire

 

 

 

 

 

Old school

 

Ook op zondagochtend gaan we lekker snorkelen. Terwijl Sophie aan Charlotte allerlei bijzondere vissen en zeedieren laat zien, checkt Dick met Patrick wat surfmateriaal in de achtertuin. Patrick heeft een paar ‘oldschool’ planken en zeilen liggen die het volgens Dick nog prima zouden moeten doen. Met de surfplank bovenop de auto rijden we ’s middags weer naar Sorobon, waar Dick op de oude plank het water in gaat en door middel van een waterstart zo weer over de plas heen ragt. Hij gebruikt de trapeze (je bent dan met je lichaam gekoppeld aan de giek), maar in plaats van een zwarte onopvallende gordel zoals die nu gebruikelijk zijn heeft hij een babyroze broek waar hij in moet stappen. Het lijkt zo alsof hij een enorme roze luier aan heeft – en laten we eerlijk zijn, dat ziet er niet zo stoer uit – maar omdat hij zijn skills nog steeds heeft kan hij toch rekenen op het ‘respect’ van de surfdudes op het strand. Charlotte oefent ook weer met Sophie en Patrick op gehuurde planken en iedereen doet het alweer wat beter dan de dag ervoor.

Strandbarbecue Bonaire

’s Avonds nemen we een barbecue, verse tonijntjes, salade, bier en ander lekkers mee naar een mooi plekje op het strand en genieten we bij het licht van een olielampje van een goddelijke maaltijd. Jeetje, dit kun je hier dus allemaal in een doorsnee weekend doen. Is weer eens wat anders dan binnen zitten bij de verwarming of shoppen voor kleding die je eigenlijk helemaal niet nodig hebt!

 

Iguana

Gotomeer, BonaireVerlaten strandje BonaireUitzicht op Rincon

In de week die volgt zijn S&P overdag weer aan het werk. Wij hoeven ons gelukkig niet te vervelen. We maken iedere dag dankbaar gebruik van hun auto, bijvoorbeeld om over de noordkant van het eiland te cruisen. Een route pal langs de kust leidt ons naar het Gotomeer en door bossen van cactussen naar het stadje Rincon.Langs de kant van de weg scharrelen wilde ezeltjes, geiten en varkens. In de lucht stikt het van de groene parkieten die rakelings over de auto heen schieten. Bijna dagelijks gaan we een paar uur windsurfen. Dick had het vanaf minuut één alweer in de vingers, maar ook Charlotte krijgt de smaak te pakken. Ze is sinds de aankomst op Bonaire ook gestart met hardlopen; om de dag bij zonsondergang de boulevard af en weer terug. Een stukje van nog geen 20 minuten (dat ze deels wandelend doet), maar je moet ergens beginnen, toch? En voor iemand met een hartgrondige hekel aan hardlopen is het heel wat, vindt ze zelf 🙂

We doen zo weer een rondje

Verlaten strandje Bonaire

Het laatste weekend op Bonaire is alweer aangebroken. Helaas, want het is hier fantastisch. Sophie luidt haar weekend in door op tijd te stoppen met werken en met Dick een duik te gaan maken. Hetzelfde had Dick eerder die week al met Patrick gedaan. Het leuke aan Bonaire is dat je helemaal niet ver weg hoeft om schildpadden, zeepaardjes en tropische vissen te zien. Bijna overal is (koraal)strand en het stikt er van de dive- en snorkelspots. Je stapt het water in et voilá: meteen mooi!

Divers in the water

Uitzicht op zee, vanuit huis Sophie en Patrick

Zaterdagochtend helpen we – een beetje gammel van de biertjes van vrijdagavond – mee met de ‘clean up dive’ die georganiseerd wordt door de duikschool waar Patrick voor werkt. Al het afval dat de vrijwillige duikers uit de haven halen scheiden en tellen we met een aantal vrijwilligers aan de kant. Het is ongelofelijk hoeveel rommel er wordt opgehaald. Van autobanden tot vislijnen en van bierflesjes tot stukken karton. Maar ook servies, bestek, pannen, een bureaustoel, een telefoon en een complete boormachine. Kliko’s vol met zooi! In de middag gaan we nog lekker een uurtje windsurfen en ’s avonds is er op de duiklocatie (waarvoor Patrick eigenhandig het pand heeft gebouwd!) een barbecue georganiseerd.

Snorkelpauze op Klein Bonaire

PlaaaankgasPlonsje bij Klein BonaireDit is dus geen zwembadHuis van Sophie en Patrick, links van de gele duikschool

Op de allerlaatste dag op Bonaire huren we met S&P een bootje waarmee we heerlijk langs de kust toeren. We zien de huizen van de rich & famous van Bonaire (denk in de categorie Hennie Huisman), leggen aan op Klein Bonaire, een onbewoond eiland met oogverblindend mooi water en een spierwit strand en ‘en passant’ haalt Dick nog een stuk of 7 tonijntjes binnen met z’n hengel en later met alleen een eenvoudige vislijn en Patrick leert hem hoe je ze schoonmaakt. Eén van die visjes eten we bij thuiskomst rauw op. Jammie! ’s Avonds genieten we van een Italiaans diner bij één van de betere restaurants op het eiland en op maandag brengen S&P ons in hun luchpauze naar de in roze geschilderde Flamingo Airport.

Einde van de boottocht

Plonsje bij Klein Bonaire

Sashimi van zelfgevangen tonijn

We hebben ongelofelijk genoten van de gastvrijheid van S&P in wiens huis we ons voor anderhalve week helemaal thuis voelden en van al het moois dat het eiland te bieden heeft. De kleinschaligheid en de natuur op het eiland spraken ons erg aan, evenals het buitenleven dat je er bijna automatisch leidt. Tuurlijk, als je een kantoorbaan hebt zoals Sophie als advocaat, dan zit je overdag ook gewoon achter je computer in de airco en merk je weinig van de Antilliaanse relaxedheid. Maar ’s avonds kan meteen de knop om en geniet je buiten op de veranda van je avondeten en drink je je bakkie koffie 20 meter verderop, op de pier onder een prachtige sterrenhemel. Wij begrijpen wel waarom S&P het zo naar hun zin hebben op Bonaire… Thanks guys, voor alles, we zien jullie in maart weer!

 

Dit is dus geen zwembad

Huis van Sophie en Patrick, links van de gele duikschool

Santiago de Chile

Na dit heerlijke Caribische intermezzo is het tijd voor het serieuzere werk: we gaan naar Zuid-Amerika! Via Curacao en Colombia reizen we in 18 uur (toch nog!) naar Santiago, de hoofdstad van Chili. We arriveren ’s ochtends in alle vroegte en met maar 6 graden op de thermometer op de luchthaven. Brrrrrrr.. dat is even wennen zeg. Omdat we om half 2 ’s nachts nog een maaltijd in het vliegtuig geserveerd krijgen en om 5 uur de voorbereidingen voor de landing alweer getroffen worden, hebben we er maar een heel kort nachtje slaap op zitten, dat bovendien nog onderbroken werd door de nodige bliksem onderweg. Dan voel je je in een vliegtuig toch ineens heel kwetsbaar!

alle duiven op de Plaza de Armas

Chili

 

 

 

 

 

 

Als we aankomen in Hotel Espana, vlakbij de Plaza de Armas, arriveert even later Ferry, de zoon van Jeanne. Ferry is getrouwd met de Chileense Ana en werkt in Hotel Espana, waar hij een mooie kamer voor ons geregeld heeft tegen een vriendenprijsje. Super fijn om contacten te hebben in de stad waar we  een auto willen aanschaffen maar bovendien ook hartstikke gezellig om Ferry na 8 jaar weer eens te zien! We spreken af om rond luchtijd met z’n drieën de stad in te gaan om te lunchen, maar eerst gaan we nog even een paar uurtjes plat.

de Plaza de Armas schaakclub

 

Plaza de Armas

Santiago valt ons alles mee. We hadden ons zoiets als Lima voorgesteld – een stad die we vreselijk vonden – maar we vinden Santiago eigenlijk best een fijne stad! Onze favoriete plek is de muziekkapel op de Plaza de Armas waar vanaf laat in de middag de schaakvereniging z’n tafeltjes openklapt. Mannen van alle rangen en standen, jong en oud gaan daar met elkaar de strijd aan, al dan niet onder druk van de klok. Fascinerend om te kijken naar het spel, maar zeker ook naar de psychologische oorlogsvoering. De één gebruikt drama, de ander humor en een derde zegt zijn tegenstander zijn beste zetten voor, om hem zodoende van z’n stuk te brengen. Zo fijn ook dat we de tijd en rust hebben om van dit soort dingen te genieten!

Santiago is een welvarende stad waar 40% van de inwoners van Chili woonachtig is. Alle banken, overheid en grote bedrijven zijn in de stad gevestigd. Vooral het centrum heeft een hele westerse (Zuid-Europese) aanblik en alles is goed georganiseerd. Verder valt ons op dat Santiago veel straathonden heeft en ook dat lijkt nauwelijks voor problemen te zorgen. Het ziet er heel gezellig uit in het straatbeeld, al die grote honden die liggend, om een struik heen gevouwen, van het zonnetje genieten of voorzichtig een drukke straat oversteken. Als je echter bedenkt dat die honden op straat terechtgekomen zijn omdat hun baasjes niet meer voor hen wilden zorgen, is het wel heel treurig.

De volgende ochtend verslapen we ons gruwelijk. Om 11 uur schrikken we wakker van de schoonmaakster die op onze deur klopt. We haasten ons de stad in om een RUT te regelen, een nummer dat je nodig hebt om een auto te kopen, enigszins vergelijkbaar met een sofinummer. De meeste instanties in Chili sluiten al om 14.00 uur en we moeten nog even uitzoeken waar we precies moeten zijn. Gelukkig redden we het net voor sluitingstijd en zelfs het lezen van het Spaanstalige formulier dat we moeten invullen gaat goed.

 

alsof ze elkaar al jaaaren kennen

Isa leest Dick voor

Ferry en Julia en wijzelf, door fotografe Isabella

’s Avonds zijn we uitgenodigd voor een hapje en een drankje bij Ferry thuis. Eerst halen we Julia, zijn jongste dochter op bij het kinderdagverblijf. Om 19.00 komt Isabella, de oudste, thuis met de schoolbus. In Chili gaan kinderen in de ochtend of in de middag naar school en Isa gaat ’s middags. De verlegenheid die kleine Julia in het begin heeft is zo weg en Isa is eigenlijk vanaf het begin op haar gemakkie. De vrolijke dames kletsen volop tegen ons, ondanks ons verontschuldigende ‘no hablo Espanol’. Eigenlijk alleen maar beter, want op deze manier leren we misschien nog een beetje Spaans. Aan het einde van de avond kunnen we ook nog kennismaken met Ana, de lieve vrouw van Ferry en kort daarna gaan we terug naar ons hotel.

talentvolle fotografe die Isa (met open ogen op de foto!)

je kunt ook best foto's maken als de camera nog bij iemand anders om z'n nek hangt

Julia fotografeert haar zus

ik ben dol op guacemole

Donderdag 27 september

Vanaf vandaag is het serious business: we betreden de louche en leugenachtige wereld van de tweedehands auto’s. Dick heeft al een hoop voorwerk gedaan door zich te verdiepen in verschillende merken en modellen en de uitkomst daarvan is dat een Toyota 4runner qua type, grootte en prijs de beste deal is voor onze reis. We starten de zoektocht door langs te gaan bij 2 verschillende tweedehands autodealers, vooral om een eerste beeld te krijgen van de auto en eens een testritje te maken. De goedbedoelde tip uit Brabant (Oye coño, doet men un coche. Segundo mano) werkt niet zo goed. 😉 De tactiek wordt daarom: Charlotte kletst met de dealer (lees: leidt ‘m af) zodat Dick de auto op z’n gemak kan bekijken, zonder allerlei gevatte opmerkingen en commentaar van de dealer (lees: zodat de dealer niet kan zien dat Dick z’n kennis over auto’s uitsluitend uit boekjes en van internet komt). De eerste auto lijkt oké, maar is te hoog geprijsd en de tweede is uitstekend geprijsd maar duidelijk een barrel waarmee 100% zeker gerommeld is.

Op vrijdag gaan we langs bij 3 particuliere verkopers, die gelukkig allemaal Engels spreken. Dat maakt de communicatie een stuk makkelijker! Het eerste exemplaar van de dag staat ons goed aan, qua prijs, kilometers en staat van de auto. Eentje om te onthouden dus. Numero dos y tres zitten qua prijs een stuk hoger en eigenlijk wordt ons niet duidelijk waarom precies.

Zaterdag hebben we geen autobezoekjes kunnen plannen, dus gaan we op pad voor campingspullen. ’s Avonds gaan we uit eten met Ferry en Ana bij een enorm restaurant waar de huisspecialiteit mixed grill is, compleet met een showballet dat dansjes uit allerlei Zuid-Amerikaanse landen doet. De gezellige avond sluiten af met nog wat meer Chileense cervezas en Pisco Sours.

Met een katerig hoofd pakken we zondag rond de middag de metro om de auto die ons het meest bevalt nogmaals te bekijken, maar dan bij daglicht in plaats van in een parkeergarage. Ook willen we er even mee de snelweg op en de four wheel drive checken. Afgelopen vrijdag was daar allemaal geen tijd voor omdat de verkoper op zijn werk was en een afspraak had.

De auto bevalt ook na de testrit nog steeds goed en wij auto dummies kunnen er niets slechts aan ontdekken, behalve wat krassen en lakprobleempjes hier en daar. De laatste bezichtiging van de week vindt plaats aan de andere kant van Santiago, waarvoor we eerst een half uur met de metro moeten en daarna nog een eindje met de taxi. De chauffeur slaagt er maar niet in om het adres te vinden en begint zijn frustraties daarover op ons te botvieren. (We hebben ‘m slechts de helft van de ritprijs gegeven). We treffen wéér hele aardige mensen (zoals alle particuliere verkopers tot nu toe) en een prima auto, al scheelt ook deze weer zo’n € 800,- met de auto waar onze eerste voorkeur naar uitgaat. Het zal te maken hebben met de luxere uitvoering (leren bekleding, zonnedak etc.),  maar het feit dat er een hap ter grootte van een schoen uit de bestuurdersstoel weg is en de hele auto intens naar hond ruikt (de man fokt beagles en dobermans) helpt de auto niet.

miljOEnen pesos in cash

Conclusie: op maandag 1 oktober bellen we ’s avonds Felipe om te vragen of we een laatste afspraak met hem kunnen plannen. Hij zit in onze top 2 (eigenlijk top 1, maar doet hoeft Felipe niet te weten) en we willlen graag nog even met iemand die wél verstand heeft van auto’s voor de laatste maal naar de auto kijken. Ferry brengt ons in contact met Branco, die ons op dinsdag oppikt in het hotel en ons vergezelt naar het kantoor waar Felipe werkt. Branco is geen monteur, maar weet wel een boel van auto’s. Hij checkt alles onder de motorkap, de electriciteit, de onderkant van de wagen, de banden en vast ook nog allerlei dingen waar wij geen weet van hebben. Hij eindigt met een goedkeurend knikje dat ook Felipe niet ontgaat. Nu nog wat van de prijs af praten wordt lastig.. maar eigenlijk zijn we gewoon hartstikke blij dat we een auto hebben!

De Zuid-Amerika reis kan nu echt beginnen! Bedankt Ferry, voor je gastvrijheid en je hulp. We zien jou, Ana en je vrolijke meiden (evenals Charlottes vader en Jeanne) weer in februari in de buurt van Santiago. En mocht je tegen die tijd toevallig nog iemand kennen die een Toyota 4runner nodig heeft…

Hoe het met het inrichten van de auto verlopen is kun je lezen in onze volgende update!

Zo eentje is het dus!

 

 

Mijn locatie .